Kerst 2025: zullen we even de-escaleren?

Bijna kerst. Een tijd van vriendelijke wensen, aandoenlijke commercials en hopelijk, voor ieder op de eigen manier, een periode van toenadering. Én van de kerstborrels, maar goed. De nasleep daarvan zien we als vertrouwenspersonen in januari wel weer verschijnen.

Of we in deze periode ook op het werk wat vriendelijker naar de ander kijken? In veel gevallen vast wel, maar bij één van onze opdrachtgevers moest de kerstboom blijkbaar nog worden opgezet. Dat wordt geen mooi kerstverhaal.

Een melder, een leidinggevende, neemt contact op met de vertrouwenspersoon. Nadat ze in het begin van dit jaar nog een uitstekende beoordeling had gekregen, werd ze geconfronteerd met een nieuwe collega met wie ze in het vervolg moest samenwerken. Dat bleek niet zo makkelijk te zijn: de collega zocht de samenwerking niet, negeerde de melder en ging volledig haar eigen weg. Dit is wat kort samengevat, maar er waren genoeg elementen in het verhaal die eventueel zouden kunnen duiden op pesten. De vertrouwenspersoon kon ermee aan de slag.

Dit uiteraard met het besef dat dit soort verhalen, en trouwens eigenlijk alle meldingen, ook een andere kant kennen. Het zou maar zo kunnen zijn dat de twee betrokkenen elkaar in het contact gaandeweg verloren zijn. De vertrouwenspersoon schetste de scenario’s, maar zette in op de-escalatie bestaande uit het ondersteunen van de melder bij het herstellen van het contact.

Hoewel melder aan het einde van haar Latijn was en in het contact met de vertrouwenspersoon veelvuldig huilde, bracht de vertrouwenspersoon haar toch nog in stelling om twee gesprekken te voeren. Het eerste gesprek was met de collega. In dat gesprek liep melder aan tegen een muur van ongeïnteresseerdheid en afstand. Het tweede gesprek was ook met de collega, maar werd ditmaal geleid door de bestuurder van de organisatie. Deze stelde de collega in staat de melder tot op de enkels af te zagen.

Toen vond de vertrouwenspersoon het welletjes. Zij bood aan om bij een vervolggesprek, met de bestuurder, aanwezig te zijn om melder te ondersteunen. Maar met de agenda van de vertrouwenspersoon werd geen rekening gehouden. Melder moest, zo gaf de bestuurder aan, gewoon komen. Toen melder aangaf niet te zullen verschijnen en een nieuwe afspraak te willen maken op een moment waarop de vertrouwenspersoon wel beschikbaar was, werd zij met een e-mail ‘vrijgesteld van werk’.

Alsnog werd een nieuwe afspraak voor een vervolggesprek gemaakt, en ditmaal werd wél rekening gehouden met de agenda van de vertrouwenspersoon. Maar deze schuift niet meer aan. Inmiddels heeft de melder een advocaat in de arm genomen die haar zal bijstaan.

Let wel, dit is geen kleine organisatie. Het betreft een overheidsorgaan van belang. En we brengen in herinnering dat melder nog aan het begin van het jaar goed beoordeeld is, en dat niets erop wijst dat haar functioneren sindsdien is verslechterd. Nou ja, mogelijk de laatste tijd wel, maar dan als gevolg van de verstandhouding met de collega.

En zo gaat de vertrouwenspersoon de feestdagen in. Heeft zij gefaald? Absoluut niet. Deze zaak denderde voort op het ritme van de bestuurder, er was geen grip op te krijgen.

Tijdens onze laatste opleiding stelden we aan de deelnemers de vraag of zij, in een soortgelijke casus, het gevoel zouden hebben dat zij niets hadden kunnen betekenen. Eén deelnemer, Ester, zei toen iets wijs. Ze had net zoiets meegemaakt en vond helemaal niet dat zij niets had betekend. Ze was er immers voor de melder geweest, en had alles in het werk gesteld om de melder zo goed mogelijk te ondersteunen. Melder had dat ook zo gevoeld. Ook in die casus was de escalatie compleet. Maar aan de vertrouwenspersoon had het niet gelegen en de melder keek met een dankbaar gevoel terug op de ondersteuning door de vertrouwenspersoon.

Maar wat zit nu achter het verloop van de beschreven casus, en hoe heeft het kunnen gebeuren dat dit, ogenschijnlijk volstrekt onnodig, zo heeft kunnen escaleren? Onkunde kan het niet zijn, de betrokken bestuurder is tevens een jurist en weet ook wel wat de risico’s zijn van zo’n botte manier van handelen. Hij trok, in een soortgelijke zaak, bij de rechter al eens eerder aan het kortste eind. Is het dan venijn? De zaak snel willen oplossen, en het maakt niet uit wat het kost?

We weten het niet. Wel wordt maar weer duidelijk dat het werk van vertrouwenspersonen er tegen het einde van 2025 nog niet opzit, alle aandacht voor sociale veiligheid op het werk ten spijt.

Waar staan we dan eigenlijk, aan het einde van het jaar. Eigenlijk is het werk van de vertrouwenspersoon opnieuw interessanter geworden. De nietsontziende gang van zaken in de geschetste casus is het ene uiterste. Een ander uiterste werd gevormd door een melder die enkele personen, maar in feite een hele organisatie, beschuldigde van institutioneel racisme. Het was indrukwekkend om te zien hoe alle betrokkenen, met inbegrip van de hoogste leiding van de desbetreffende organisatie, hier invoelend en reflectief mee omgingen. Met de-escalatie niet als primair doel, maar wel als gevolg.

Met zo’n verscheidenheid aan casuïstiek dringt zich steeds vaker de vraag op in hoeverre casussen zich nog verhouden tot de aloude definities van pesten, seksuele intimidatie, agressie en geweld en discriminatie. Veel meldingen zijn eigenlijk niet onder die noemer te brengen, maar reflecteren wel het sentiment binnen de maatschappij. Wat ons betreft een belangrijk sentiment, als het gaat om het kunnen en willen invoelen wat een ander ervaart.

Toch toenadering dus, wellicht. We zullen het zien in het nieuwe jaar. Met die gedachte wensen we al onze lezers fijne feestdagen toe en een gezond, mooi en interessant 2026.

Melding van sociale onveiligheid bij universiteiten; de bomen en het bos

Reeds in 2018 schreef Paul Herfs, destijds vertrouwenspersoon voor personeel bij de Rijksuniversiteit Utrecht en inmiddels erelid van de Vereniging Ombudsmannen Hoger Onderwijs (VOHO), het artikel ‘Klagen op de universiteit’. Hij benoemde in dit artikel dat universiteiten klachteninstanties ‘in alle soorten en maten’ hebben, maar dat het voor medewerkers niet altijd duidelijk is tot wie zij zich met een kwestie moeten wenden. Herfs benoemt de vertrouwenspersoon ‘ongewenst gedrag’, de vertrouwenspersoon ‘integriteit’ en de ‘ombudsman’, een term die overigens recentelijk is vervangen door een wat meer genderneutrale aanduiding.

Herfs legt de focus in dit artikel bij de medewerkers; graag benoemen we in dit verband ook de studenten, voor wie het mogelijk nog lastiger is om een weg te vinden in het landschap van loketten, zeker wanneer zij afkomstig zijn uit een cultuur waarbinnen al dit soort gremia niet bestaan.

Sinds 2018 vloeide er heel wat water ‘door den Rijn’. In de stroom van schandalen met betrekking tot sociale (on)veiligheid moest ook het hoger onderwijs eraan geloven; meerdere gevallen van wangedrag van bestuurders en ‘eminente wetenschappers’ werden publiekelijk uitgemeten en cultuurproblemen werden blootgelegd. Heeft dat geleid tot een oplossing voor de door Paul Herfs gesignaleerde problematiek?

Laten we om te beginnen een patroon signaleren en daarvoor een bestaande uitdrukking verbasteren: ‘waar een wil is, is een wet’. Als in onze maatschappij een verontrustende ontwikkeling plaatsvindt, of een ontwikkeling die als verontrustend wordt beleefd, ontstaat nagenoeg altijd de neiging om papier te produceren. Vaak is dat een wet. Zo’n tien jaar geleden waren we massaal geschokt, toen we hoorden over het hoge aantal suïcides onder jongeren als gevolg van pesten op school.

Toenmalig staatssecretaris Sander Dekker was er als de kippen bij en bedacht de Wet Veiligheid op School. In het vervolg moesten scholen beschikken over een ‘aanspreekpunt pesten’, en iemand moest het pestbeleid ‘coördineren’. Let wel, het is gemakkelijk om cynisch over zoiets te spreken en met name de verplichte invoer van een pestbeleid zal iets goeds hebben gedaan in de bewustwording.

Feit is wel dat wij, wanneer wij trainingen verzorgen voor vertrouwenspersonen in het onderwijs, merken dat niemand precies meer weet wie nu waarvoor verantwoordelijk is. Is de vertrouwenspersoon ook de pestcoördinator? Of het ‘aanspreekpunt pesten’? Hoe verhouden die rollen zich tot elkaar? Die onduidelijkheid leidt nogal eens tot het willekeurig toebedelen van deze extra taken aan onderwijspersoneel, vaak ook nog op basis van het beschikbare aantal taakuren. Bovendien valt in die trainingen op dat, desgevraagd, bijna geen deelnemer kan uitleggen wat er nu precies in die wet staat. En ook niet wat in andere wetten staat, die relevant zijn voor de sociale veiligheid binnen het onderwijs. Interne vertrouwenspersonen niet, directeuren ook niet.

Meer recent is er een wettelijk verbod gekomen op ‘seksuele straatintimidatie’. Daarbij is die term nader gedefinieerd als ‘indringende seksuele benadering door middel van opmerkingen, gebaren, geluiden of aanrakingen’. Hoogst subjectief natuurlijk, en dat maakt dat de stafrechter met dergelijke casuïstiek vaak niet zoveel kan. Dit verbod blijkt in de praktijk dan ook niet bepaald effectief te zijn*1. Precies wat deskundigen op voorhand al hadden voorspeld. Want waar het subjectieve ophoudt, bijvoorbeeld in het geval van iemand vastgrijpen op straat, moet bedacht worden dat dit ook op grond van allang bestaande wetgeving al niet mocht.

Twee voorbeelden van wetgeving die onder druk van een bepaalde maatschappelijke verontwaardiging tot stand is gekomen, en waar we uiteindelijk niet zoveel aan hebben. Er is tekst geproduceerd, maar niemand weet of er nu minder kinderen worden gepest. En of er op straat minder vrouwen worden lastiggevallen. Al zien wij in het verbod op seksuele straatintimidatie beslist wel een symbolische waarde, zoals we in het voornoemde artikel (*1) ook benoemen.

Terug naar de universiteiten. In mei 2024 heeft de Arbeidsinspectie bevindingen gepresenteerd van een breed onderzoek naar ongewenst gedrag, werkdruk en arbeidstijden in de universitaire wereld. Daaruit bleek onder meer dat ruim de helft van het wetenschappelijk personeel in de afgelopen twee jaar met ongewenst gedrag te maken heeft gehad. Reden genoeg dus om tot een brede aanpak van deze problematiek te komen. Per 1 juli 2024 is bij CAO vastgelegd dat er per universiteit een centraal meldpunt moet komen voor meldingen met betrekking tot sociale veiligheid. Geen wet dus in dit geval, maar wel een bindende bepaling.

Helpt dat dan? Is dat zelfs niet een antwoord op de door Paul Herfs in 2018 gesignaleerde problematiek? Dat zou kunnen. Maar laten we niet vergeten dat al die universiteiten al sinds jaar en dag beschikken over vertrouwenspersonen. Die, als het goed is, een door de Landelijke Vereniging van Vertrouwenspersonen geaccrediteerde basisopleiding hebben gevolgd en dus veel afweten van ongewenst gedrag, en van integriteitsschendingen in het algemeen.

Toegegeven moet worden dat die opleiding niet voorziet in het aandachtsveld ‘wetenschappelijke integriteit’, maar met enige nascholing zouden vertrouwenspersonen toch in staat moeten zijn dergelijke meldingen tenminste te herkennen. Vertrouwenspersonen die, opnieuw als het goed is, behoorlijk goed te vinden zijn door medewerkers én studenten die met ongewenst gedrag te maken hebben gekregen. Bovendien is vertrouwelijke behandeling (nagenoeg altijd) inherent aan de rol van de vertrouwenspersoon. Dit, en zeker wanneer melders rechtstreeks een mens van vlees en bloed kunnen benaderen, kan de drempel tot melden aanzienlijk verlagen ten opzichte van een non-descript meldpunt, waarbij men maar moet afwachten bij wie de melding terecht komt en wat er met de melding gebeurt. Zeker wanneer het meldpunt het karakter van een soort ‘speak up line’ krijgt, zoals we in de praktijk al hebben gezien.

Niet dat we tegen zo’n meldpunt zijn. Maar het risico is levensgroot dat we opnieuw een ‘faciliteit’ toevoegen die in de praktijk niet echt helpt. De implementatie van zo’n loket, en dan met name het goed beschrijven van de relatie tussen het loket en andere faciliteiten, vraagt om grondige kennis van het onderwerp. Niet alleen academische kennis, maar ook praktische.

En zo niet, dan kan een situatie ontstaan die we enkele weken geleden meemaakten in onze basisopleiding. Een vertrouwenspersoon wetenschappelijke integriteit had een ‘infographic’ meegenomen die gepubliceerd was op de website van de universiteit waar zij werkt, en waarop de relatie tussen loket, vertrouwenspersonen en andere faciliteiten in kaart werd gebracht. Acht deelnemers, stuk voor stuk met een behoorlijk abstractieniveau, én de trainer zaten verdwaasd te analyseren wat er nu eigenlijk bedoeld werd. Of, met andere woorden, te onderzoeken waar zij als melder nu het best terecht zouden kunnen of zelfs mogen. We zijn er maar mee gestopt, omdat we er niet uitkwamen.

Waar deze universiteit dan weer wél voor heeft gekozen, is het meldpunt ook open te stellen voor meldingen rondom vermeende integriteitsschendingen. Een logische keuze, iedere (opgeleid) vertrouwenspersonen kan uitleggen waarom deze onderwerpen in de praktijk vaak samenkomen. Curieus is het dan ook, dat in de desbetreffende bepaling in de CAO het onderwerp ongewenst gedrag geïsoleerd is geraakt. Dat gaat in tegen een beweging die de Landelijke Vereniging van Vertrouwenspersonen al jaren geleden is ingezet.

En nu het toch over integriteit gaat: de vertrouwenspersonen wetenschappelijke integriteit die wij in onze basisopleiding hebben ontmoet, hebben in hun dagelijkse praktijk allen ervaren dat ook dit onderwerp niet losstaat van het onderwerp integriteit in brede zin. Natuurlijk vergt het behandelen van casussen rondom wetenschappelijke integriteit een diepgaande kennis van de academische wereld; daar valt niet aan te tornen. Maar steeds is de eindconclusie dat ongewenst gedrag, ‘zakelijke integriteit’ en wetenschappelijke integriteit eigenlijk allemaal onder één noemer zijn te brengen, te weten die van onethisch gedrag. En de grens tussen deze drie aandachtsgebieden is vaak moeilijk te trekken. Als het op het ene vlak de normen vervagen, is de kans groot dat dit ook op de andere vlakken gebeurt.

Kortom. Het produceren van teksten, of het nu wetten zijn of bepalingen in een CAO, leidt niet zomaar tot een écht doelmatige aanpak van sociale veiligheid. Wel vaak tot verwarring, onduidelijkheid, en onnodige bureaucratie waar een onwetende melder niet zoveel mee kan.

En misschien is het helemaal niet zo moeilijk. Op basis van onze decennialange ervaring én onze gesprekken met mensen uit de universitaire wereld benoemen we een aantal zaken die eventueel wat helderheid brengen:

  • Integriteit is integriteit, of het nu om ongewenste omgangsvormen, ‘zakelijke integriteit’ of wetenschappelijke integriteit gaat. De aanpak is anders, en elk aandachtsveld vereist specifieke kennis. Maar de grenzen zijn vaag, en altijd gaat het om niet-integer handelen. Dat vraagt om een integrale benadering en samenwerking tussen de vertrouwenspersonen, al houden zij zich met verschillende aandachtsvelden bezig. Zij zouden een team moeten vormen.
  • Goed opgeleide vertrouwenspersonen kennen tenminste de aandachtsvelden ongewenste omgangsvormen en zakelijke integriteit. Met specifieke extra scholing zouden zij gevallen van wetenschappelijke integriteit tenminste moeten kunnen herkennen.
  • Een meldpunt kan helpen, maar afhankelijk van wie het bemenst. En waarom zou dat de vertrouwenspersoon niet zijn? De desbetreffende CAO-bepaling sluit dat niet uit.
  • En waarom zou ook dat meldpunt niet voor een integrale benadering kiezen? Zodat het benaderbaar is met meldingen uit elk genoemd aandachtsveld?
  • Last but not least. Als u een verpakking van, laten we zeggen, hummus uit de supermarkt opent, valt het u vast op dat dit gemakkelijk gaat. Dat lijkt doordacht te zijn. De reden daarvan is, dat een testpanel verschillende verpakkingen heeft uitgeprobeerd, en de meest consumentvriendelijke heeft gekozen*2. Laat ook de diverse ‘infographics’ en andere informatieve uitlatingen rondom ongewenst gedrag en integriteit eens doorlichten door een testpanel, met leden die afkomstig zijn uit de doelgroep. Als zij het niet begrijpen, dan begrijpt niemand het. En vice versa.

Een laatste woord. Als wij spreken van ‘helemaal niet zo moeilijk’ en ‘helder’, dan doelen wij daarmee uitsluitend op het vormgeven van beleid. Het effectief implementeren daarvan, en het creëren van een werkelijk veilige werkcultuur, is een complex proces. Zo complex, dat we er vaak maar niet of hooguit ambivalent aan beginnen, en liever weer een document produceren.

 

 

*1. Zie ons artikel “Verbod op seksuele intimidatie niet erg effectief. En dus ook niet zinvol?”

*2. We weten het: ook wij ergeren ons dagelijks aan afbrekende lipjes en ontbrekende perforaties. Dat versterkt juist onze conclusie: er is in zo’n geval blijkbaar geen testpanel geweest…

De leidinggevende; schuldig of schietschijf?

In de laatste maanden kregen wij van meerdere HR-afdelingen van onze opdrachtgevers hetzelfde signaal; medewerkers trekken tegenwoordig wel érg snel de ‘veiligheidskaart’ als er iets niet soepel loopt in het contact met de leidinggevende. En inderdaad; ook wij zien dat het woord ‘veiligheid’ na alle beroering van de afgelopen jaren over het thema grensoverschrijdend gedrag, vaker in onze dossiers voorkomt. Vaker, maar nieuw is het niet; elke vertrouwenspersoon weet dat het merendeel van de meldingen gaat over het ervaren gedrag van de leidinggevende. Hoe dan ook, die veiligheidskaart. Onze opdrachtgevers willen hierover in gesprek en vragen om advies.

Lastig, want deze vraag moet natuurlijk per casus worden bekeken. Volgens het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid hebben leidinggevenden een voorbeeldrol. Daaruit volgt dat er van leidinggevenden best wat verwacht mag worden ten aanzien van hun gedragsrepertoire. Maar wat óók van leidinggevenden wordt verwacht, is dat ze sturend optreden wanneer er twijfels zijn over het functioneren van een medewerker. Wat we tegenwoordig nogal eens horen, is dat leidinggevenden zich daar bij voorbaat al geremd in voelen nu de term ‘veiligheid’ op de punt van de tong ligt. En laten we wel zijn; aangesproken worden op je functioneren voelt per definitie wel een beetje onveilig.

En dan is er nog iets: in de nasleep van de toestanden bij De Wereld Draait Door stelde leiderschapsexpert Ronald Meijers* dat 60 tot 80 procent van de mensen op leidinggevende posities daar helemaal niet thuishoren, en geselecteerd zijn op basis van de verkeerde criteria. Inhoudelijke ervaring bijvoorbeeld.

Maar met deze verzuchtingen komen we niet verder. Terugkijkend op een reeks van praktijkgevallen zien we een paar dingen die zouden kunnen helpen om leidinggevenden niet onnodig in moeilijke posities te brengen, én om te voorkomen dat medewerkers zich terecht onveilig voelen.

Transparantie versus vertrouwelijkheid

Wij denken terug aan een geval, waarbij vier medewerkers uit het team zich hadden beklaagd over het gedrag van hun leidinggevende. Redelijk concreet, in dit geval. Zo zou de leidinggevende iets behoorlijk lelijks hebben gezegd over een vertrekkende collega. Twee van de melders waren bij de naasthogere leidinggevende gekomen, en twee bij de vertrouwenspersoon. De vertrouwenspersoon mocht van de melders wel een signaal bij de naasthogere leidinggevende afgeven, maar daarbij geen namen noemen. En de melders die zich tot de naasthogere leidinggevende hadden gewend, wilden dat deze ‘er iets aan deed’, zonder dat verder bekend zou worden dat zij het waren die iets hadden gemeld.

Wat krijg je dan. De naasthogere leidinggevende voert een gesprek met de beschuldigde manager. Dat gesprek blinkt uit in vaagheid, want het benoemen van details en voorbeelden kan leiden tot herleidbaarheid naar de melders. Het komt er eigenlijk op neer dat de leidinggevende moet aanhoren dat meerdere ondergeschikte medewerkers moeite hebben met zijn gedrag. Tja. De naasthogere leidinggevende sluit af door de hoop uit te spreken dat de leidinggevende ‘iets positiefs’ doet met het signaal, en er ‘voor zichzelf iets uithaalt’.

Het zal niemand verbazen dat deze situatie ook nog uitlekte, zodat de hele afdeling wist dat er ‘beschuldigingen van grensoverschrijdend gedrag’ waren geuit over de leidinggevende. Over dat ‘grensoverschrijdend gedrag’ trouwens meer hieronder, bij ‘tenslotte’.

Nu is het afgeven van een ‘geanonimiseerd signaal’ in geval van verschillende meldingen over dezelfde leidinggevende, een behoorlijk gebruikelijke methode voor vertrouwenspersonen. En soms moet het ook, wanneer de leidinggevende werkelijk flink over de schreef is gegaan. Dan is dat ‘proportioneel’. Toch is het goed om per geval nadrukkelijk af te wegen, wat de consequenties van deze werkwijze kunnen zijn. In de bedoelde casus kwam de leidinggevende, die zich nauwelijks kon verdedigen, ziek thuis te zitten. De medewerkers zagen dit nog als een goede afloop ook.

Natuurlijk zijn er organisaties waar openlijk melden gevaarlijk is. Die voorbeelden kennen ook wij maar al te goed. Maar soms lijkt al deze vertrouwelijkheid of anonimiteit, waar de melders zelf liever van spreken, wel de norm of wellicht zelfs de enige weg te worden. Het zou toch tenminste goed zijn dit met melders te bespreken, en hen bijvoorbeeld te vragen hoe de door hen ervaren onveiligheid kan worden weggenomen. Zodat zij openlijk de dialoog durven aangaan over hun ervaringen.

Wie beoordeelt eigenlijk wie?

In de vorige casus is er maar één conclusie mogelijk: het oordeel van de medewerkers leidde tot de geschetste uitkomst. We zien een keerzijde; soms maakt de leidinggevende, of de organisatie, het risico op gevoelens van onveiligheid onder medewerkers wel erg groot. We geven daarvan één voorbeeld.

Nog niet zo lang geleden was het woord ‘beoordelingsgesprek’ heel gangbaar, maar het woord ‘beoordelen’ heeft een wat verdacht randje gekregen. Bij veel organisaties spreekt men liever in meer positieve termen, zoals ‘ontwikkelgesprek’ of ‘het goede gesprek’. Geen termen die uitnodigen tot het ventileren van kritische noten. Aan het einde van het gesprek krijgt een medewerker, van wie iedereen weet dat zijn output wel érg achterblijft bij die van collega’s, een training ‘beter structureren van het werk’ aangeboden en is iedereen gelukkig.

Zo kennen wij ook een situatie waarbij een medewerker decennialang geen kritiek op het functioneren had gekregen. Die kritiek was er wel degelijk, maar werd nooit uitgesproken. De nieuwe leidinggevende zag hoe deze medewerker functioneerde, schrok zich rot en ging de dialoog aan. Hier laat de uitkomst zich raden: de medewerker schrok minstens even erg, omdat hij binnen een half uur in een realiteit was beland die volstrekt nieuw voor hem was. En dat kan je, inderdaad, als behoorlijk onveilig ervaren.

Er is een reden waarom het werk van medewerkers beoordeeld wordt. Zij krijgen elke maand een bepaald bedrag op de rekening bijgeschreven. De tegenprestatie daarvoor bestaat uit het afleveren van werk met een bepaalde kwantiteit en kwaliteit. Laten we niet vergeten dat de gemiddelde arbeidsorganisatie niet in het leven is geroepen om de medewerkers een rimpelloos bestaan te bezorgen, maar omwille van één of meerdere primaire processen. Het idee is dat de inspanningen van de medewerkers daar in voldoende mate aan bijdragen.

Eén organisatie die we kennen voert nog wel beoordelingsgesprekken. Maar dat dan alleen als het functioneren van de medewerker ter discussie staat. Vanzelfsprekend wordt dan ook meteen HR bij het gesprek betrokken. Eenieder kan zich bedenken hoe het moet voelen om, in die constructie, uitgenodigd te worden voor een beoordelingsgesprek.

Natuurlijk begrijpen wij best dat werkgevers, in de huidige krappe arbeidsmarkt, alles doen om medewerkers een goede beleving te bezorgen. Het woord ‘beoordelen’ verhoudt zich daarmee wellicht stroef, en het uiten van kritiek doet dat nog meer. En natuurlijk pleiten wij niet voor de herinvoering van gedateerde constructen, en gelijkwaardigheid tussen de verschillende lagen van de organisatie is een groot goed. Ook gedateerd is de uitdrukking ‘zachte heelmeesters maken stinkende wonden’.  Maar soms kunnen dit soort oude wijsheden toch best inspirerend zijn. Noem het dan geen beoordelingsgesprek; zolang je maar voorkomt dat mensen geconfronteerd worden met een donderslag bij heldere hemel.

Heb het er eens over

In deze stukjes proberen wij weg te blijven van open deuren, maar soms ontkomen we er niet aan: als een leidinggevende periodiek, bijvoorbeeld tijdens het werkoverleg, aandacht besteed aan de cultuur en omgangsvormen op de afdeling, dan zegt hij of zij daarmee dat dit onderwerp belangrijk is en aandacht verdient. De eerste keer kijkt iedereen naar het plafond, en de derde keer misschien nog. Zelfs als het onderwerp voor de tiende keer nog geen reacties uitlokt, dan heeft de leidinggevende tóch benadrukt dat hierover met hem/haar gesproken kan worden. Ook als het gedrag van de leidinggevende zelf als onprettig wordt ervaren.

Tenslotte: wat is ook weer grensoverschrijdend gedrag?

Die vraag is in deze context belangrijk. We hebben er al vaker een punt van gemaakt: steeds meer worden de definities van ongewenste omgangsvormen uit de Memorie van toelichting bij de Arbowet verruild voor de term ‘grensoverschrijdend gedrag’, en zou de vertrouwenspersoon zich moeten bezighouden met casussen waarin een medewerker een gevoel van onveiligheid zegt te ervaren.

Daarmee wordt het werk van de vertrouwenspersoon nog subjectiever dan het al was. Terwijl ‘agressie en geweld’, waarover we zouden moeten spreken als het gedrag van een leidinggevende als intimiderend wordt beleefd, toch echt gedefinieerd is. En wel als volgt:

‘Voorvallen waarbij een werknemer psychisch of fysiek wordt lastiggevallen, bedreigd of aangevallen onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met het verrichten van arbeid.’

 

Dat is nogal wat. Daaronder valt niet een half scheef woord tijdens een functioneringsgesprek of een lelijke opmerking over een ander. En om tot de kwalificatie ‘pesten’ te komen, moet ditzelfde gedrag ook nog structureel zijn. Het zou helpen als iedereen, met inbegrip van vertrouwenspersonen en naasthogere leidinggevenden, wat strakker op de begripsomschrijvingen zouden zijn. Want soms zal iets best vervelend zijn, of zelfs een onveilig gevoel hebben opgeleverd. Maar daarmee kunnen we nog niet in alle gevallen spreken van ongewenste omgangsvormen.

 

*Bron: Algemeen Dagblad 26 november 2022

 

Wilt u bericht ontvangen zodra er een nieuw artikel verschijnt? U kunt zich hier aanmelden voor ontvangst van onze nieuwsbrieven.

Verbod op seksuele intimidatie niet erg effectief. En dus ook niet zinvol?

In verband met vakantie is het schrijversteam dat zich met deze nieuwsbrief bezighoudt gehalveerd; alleen de mannelijke auteur, tevens de mannelijke helft van ons directieteam, is aanwezig. Dat komt me in die zin goed uit omdat ik al dagenlang, als man zijnde, iets wil zeggen over actuele thema’s als ‘wij eisen de nacht op’, en de mannelijke influencers die zonneklaar stellen dat geweld tegen vrouwen een probleem is waarvoor mannen verantwoordelijk zijn.

Ik wilde zeggen dat ik die initiatieven van harte toejuich, maar dat durfde ik niet zo goed, en zeker niet hier in de nieuwsbrief van ons bureau. De aanleiding voor deze belangstelling voor het onderwerp ‘geweld tegen vrouwen’ is namelijk te gruwelijk voor woorden, zodat mijn inbreng gemakkelijk als onsmakelijk opportunisme zou kunnen worden gezien.

Sander Schimmelpenninck gebruikte deze woorden in de Volkskrant van 25 augustus om de reactie van politici op deze aanleiding te duiden, en ongelijk had hij niet. Maar nu had ik ineens, door een publicatie op nieuwssite NU.nl, een haakje; deze publicatie deed me namelijk denken aan mijn ontmoeting met Aziza. Over Aziza durf ik wél iets te zeggen, want ze is in mijn carrière binnen het vertrouwenswerk een belangrijke inspirator geweest. Over haar later meer, eerst wat toelichting.

Per 1 juli 2024 is de Wet seksuele misdrijven van kracht geworden. Diverse aspecten van deze wet zijn voor de vertrouwenspersoon van belang, maar vandaag beperken we ons tot het verbod op seksuele (straat)intimidatie.

NU.nl heeft het effect van dit verbod in kaart gebracht door middel van een rondvraag bij het Openbaar Ministerie, gemeentes en handhavers. Wat blijkt? Het verbod is bijzonder lastig te handhaven. Bij het Openbaar Ministerie zijn tot en met mei 2025 van dit jaar 89 zaken binnengekomen, waarvan er 55 tot een rechtszaak hebben geleid. De handhavers in Rotterdam kregen één zaak voor de rechter en in Utrecht twee. We hebben het over een overtreding (geen misdrijf) zodat betrappen op heterdaad noodzakelijk is. Dat blijkt in de praktijk moeilijk.

Wat is eigenlijk seksuele (straat)intimidatie? Wij kennen al de definitie uit de Memorie van Toelichting van de Arbeidsomstandighedenwet, maar het is duidelijk dat deze hier niet van toepassing is. Het desbetreffende artikel in het Wetboek van Strafrecht, 429ter,  luidt:

‘Degene die in het openbaar een ander indringend seksueel benadert door middel van opmerkingen, gebaren, geluiden of aanrakingen op een wijze die vreesaanjagend, vernederend, kwetsend of onterend is te achten, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de derde categorie’

Voorafgaand aan het moment waarop het verbod werd ingevoerd zei toenmalig minister Yesilgöz: “Seksuele intimidatie moet harder worden aangepakt. Het is onacceptabel dat straten gemeden worden”. Het is overigens wrang hoe deze woorden nu weer in de belangstelling zijn komen te staan.

Toch waren er destijds ook critici. Deskundigen voorspelden al op voorhand dat het verbod in de praktijk weinig zou uithalen. Zo waarschuwde de Raad van State, in haar advies van 8 juni 2022, voor al te hooggespannen verwachtingen in verband met de moeilijke bewijsbaarheid van seksuele misdrijven. Let wel, dit advies betrof de wet als geheel, dus met inbegrip van de daarin benoemde zedenmisdrijven. Voor het onderdeel seksuele intimidatie, waarbij het dus niet om een misdrijf maar om een overtreding gaat, geldt deze waarschuwing wellicht nog het meest. Want laten we wel zijn: volstrekte duidelijkheid over wat er nu wel of niet onder valt hebben we niet gekregen en ‘indringende seksuele benadering’ is een subjectief begrip. Aan het strafbaar stellen daarvan zit, in een vrije rechtstaat, zelfs een scherp kantje omdat het willekeur in de hand zou kunnen werken.

Maar goed; hebben de critici, zoals je zou kunnen opmaken uit het artikel op NU.nl, dus gelijk gekregen? Door te stellen dat het verbod op seksuele (straat)intimidatie niet zou werken? Eigenlijk wel een beetje. Er was natuurlijk bij de totstandkoming van de wet best sprake van enig politiek opportunisme. Maar dat het cynisch is om dit zo te stellen heb ik enkele jaren geleden geleerd van de al genoemde Aziza, overigens niet haar echte naam. Terug naar Aziza dus.

Aziza was toen 16 of 17 jaar oud en ik ontmoette haar omdat zij de bewonderenswaardige moed had gehad om een klacht wegens seksuele intimidatie in te dienen tegen een docent van haar school. Het bestuur van de school wilde die klacht onderzocht hebben, en ik mocht dat onderzoek samen met een vrouwelijke collega uitvoeren. Het ging overigens om gedragingen die ik zelf nog net niet als ‘indringende seksuele benadering’ zou bestempelen. Maar wel als ‘gedrag met een seksuele connotatie’, zoals dat in de Arbeidsomstandighedenwet is benoemd. Het ging om ongepaste opmerkingen over het, in de ogen van docent, nogal flamboyante uiterlijk van Aziza. Bijvoorbeeld over wat hij allemaal van haar kon zien, als ze op die en die manier tegenover hem zat. De docent betoogde dat hij Aziza wilde waarschuwen en ‘klaarmaken voor de arbeidsmarkt waarin zij zich ook gewoon netjes zou moeten aankleden’; Aziza vond het ongelooflijk irritant, ongepast, vernederend omdat het in het bijzijn van haar klasgenoten gebeurde, en ronduit intimiderend. De onderzoekers gaven haar, na objectivering op basis van feitenonderzoek, groot gelijk en het schoolbestuur heeft dat overgenomen*.

Maar eigenlijk gaat het me vooral om wat daarna gebeurde. Iets unieks, want normaal zie je een klager na het onderzoek niet meer en dat is in het kader van de objectiviteit ook goed. Maar de integriteitsfunctionaris van de school had een bijeenkomst georganiseerd zodat ik in een gesprek belandde waar ook Aziza aan deelnam. Zij was tot op dat moment niet zo mededeelzaam geweest, maar nu vond ze het belangrijk om ons te vertellen waarom het gedrag van die docent haar nu zo had aangegrepen. Ze nam de tijd, sprak rustig en iedereen luisterde. Niet alleen vertelde ze dat het voor haar heel belangrijk was om zich binnen de muren van de school veilig te voelen, maar ook waarom dat was; Aziza werd niet maandelijks, zelfs niet wekelijks, maar dagelijks meermaals op straat lastiggevallen met seksueel getinte opmerkingen, uitnodigingen om seks te hebben, aanrakingen en ander mannelijk wangedrag. Ik was diep onder de indruk.

Wist ik dan niet dat dit gebeurde? Natuurlijk wel. Ook toen ik zelf die leeftijd had speelde dit al met meiden in onze vriendengroep. Maar de manier waarop Aziza dit vertelde, maakte dat de rillingen mij over de rug liepen en de volle omvang van dit probleem maar weer eens hard bij me binnenkwam. Elke dag? Dus geen dag waarop dat niet gebeurt? Gewoon op straat, je onveilig voelen? Ik realiseerde me eens te meer dat ik dat, als man, nooit hoef mee te maken. En probeerde me voor te stellen hoe ik me zou voelen als dat wél zo zou zijn.

Er resteren twee vragen: waarom wilde ik dit zo graag delen, en wat heeft dit met de Wet seksuele misdrijven te maken?

Om met de eerste te beginnen: omdat ik in het onderzoek naar de klacht van Aziza boze docenten, man én vrouw, ontmoette die de gevoelens van Aziza bagatelliseerden en het, zonder de feiten te kennen, opnamen voor ‘die arme man’*. Docenten die Aziza veroordeelden om haar ‘blote’ kleedstijl, en haar daarmee nogal expliciet verantwoordelijk maakten voor wat er gebeurd was. Aziza dus, die een creatieve opleiding volgde, voor wie expressie heel belangrijk was en die niets anders deed dan zijn wie ze was.

Én omdat ik, zelfs in onze basisopleiding voor vertrouwenspersonen, nog steeds wel eens irritatie ontmoet wanneer ik problematiek rondom seksuele intimidatie voor 100% op het conto van mannen schuif. In één geval ging die irritatie gepaard met de uitroep: ‘Die vrouwen kunnen er anders ook wat van!’.

Én omdat een gewaardeerde vakgenoot, een vrouw, laatst tegen me zei: ‘vrouwen doen dat ook, maar die mannen durven dat dan niet te melden’.

Touché hoor, dat laatste, het zal vast wel eens voorkomen. Heus ken ik na al die jaren ook wel twee voorbeelden van vrouwen die zich schuldig maakten aan seksuele intimidatie, en het kan best zijn dat dit vaker gebeurt dan wij weten. Daar heeft mijn vakgenoot mogelijk een punt. Maar dit soort reacties doen me wat denken aan het verhaal over Tante Mien, die in discussies over gezond leven altijd opduikt als degene die 103 jaar oud is geworden op haar vier pakjes sigaretten en fles jenever per dag. Het zijn zeldzame uitzonderingen die de regel bevestigen en (afgezien van Tante Mien) de aandacht afleiden van een ongemakkelijk waarheid: in het geval van seksuele intimidatie, zijn het nagenoeg altijd mannen die de agressoren zijn.

Als je dit werk al 20 jaar doet heb je geen activisme nodig om dat zo vast te stellen, dat is dan simpelweg een ervaringsfeit. Ik hoop daarmee ook eens af te rekenen met de vermoeiende vraag of ‘een grap maken nog mag’.  Want ook dat is eigenlijk een non-discussie die blijk geeft van een behoefte aan vrijheid, die Aziza niet gegund is als ze de straat oploopt.

En het verband met die wet, en de vraag of de critici gelijk hadden? Hoezeer ik ook warme gevoelens kreeg bij ‘Wij eisen de nacht op’ en de welgemeende pogingen van mannelijke influencers om hun seksegenoten op hun gedrag aan te spreken, had ik bij één aspect daarvan een ongemakkelijk gevoel. Namelijk zoals het altijd is: de mensen die dergelijk gedrag toch al niet zouden vertonen voelen zich aangesproken, en de mannen die in het donker meisjes van hun fiets trekken niet. Die worden niet bereikt.

Dat bleek wel in de nacht van 30 op 31 augustus jongstleden, toen de Dolle Mina’s in tal van Nederlandse steden een actie hielden met het thema ‘wij eisen de nacht op’. Door tenminste 19 steden werden wandel- en fietstochten georganiseerd op plekken die als gevaarlijk voor vrouwen bekend staan. Wat gebeurde er volgens een bericht van 1 september op de website van de NOS? In ieder geval in Eindhoven, Maastricht, Leiden, Amersfoort, Zwolle, Groningen, Amsterdam, Rotterdam en Utrecht werden deze vrouwen lastig gevallen. Deelnemende vrouwen zijn nagefloten, in de billen geknepen, bij de heupen gepakt, bespuugd, met blikken bekogeld, ‘continue tegengehouden’, uitgejoeld en achtervolgd door mannen.

Dat deze werkelijke raddraaiers door oprecht goedbedoelde campagnes niet worden bereikt maakt dat ik, alle op zichzelf terechte tegenwerpingen van critici (en van mijzelf) ten spijt, blij ben dat het strafrechtelijke verbod op seksuele intimidatie bestaat. En laten we wel zijn: 55 mensen voor de rechter is een wel érg schamel begin, maar toch beter dan niets, en waardevol vanwege het signaal dat er vanuit gaat.

*De passages gemarkeerd met een asterisk vragen om een toelichting. Vanuit bureau Intagros B.V. voeren wij gedegen, objectief feitenonderzoek uit waarbij wij veel oog hebben voor de belangen van de beschuldigde partij, en niet zomaar alles voor waar aannemen. Iets is pas ‘waar’ als het feitelijk bewezen is, en elke casus wordt zonder enige vooringenomenheid behandeld. Deze passages en de gehanteerde woordkeus hebben dan ook uitsluitend betrekking op de casus ‘Aziza’ en reflecteren geenszins onze algemene visie op objectief onderzoek. In dit artikel was geen ruimte om de woorden ‘groot gelijk’ nader te onderbouwen, maar die feitelijke onderbouwing, op grond van een gedegen intern en extern toetsingskader (wetgeving), was er wel degelijk. De woorden ‘die arme man’ zijn afkomstig uit een letterlijk citaat van anderen en zijn hier, in dit opiniestuk, wat tendentieus gebruikt.

 

Wilt u bericht ontvangen zodra er een nieuw artikel verschijnt? U kunt zich hier aanmelden voor ontvangst van onze nieuwsbrieven.

Melders vlak voor vakantietijd. Kunnen zaken even wachten?

Een korte editie ditmaal, want Nederland is overduidelijk met vakantie. De telefoon is stiller, het onderwijs is helemaal gesloten en het aantal e-mails is gehalveerd.

Daaraan ging, zoals dat elk jaar zo is, een drukke periode aan vooraf. Vóór de vakantie maakt men graag schoon schip, en het was opnieuw bijzonder om te zien hoeveel mensen één of twee dagen voordat men de caravan aanhaakt nog een oplossing zoeken voor complexe situaties, die vaak al heel lang spelen. In ons bestand van opdrachtgevers is er zelfs één onderwijsinstelling, waarbij letterlijk elk jaar door meerdere ouders een klacht wordt ingediend in de laatste dagen voor de vakantie. Het liefst op donderdag of vrijdag. Op de vraag wat men dan binnen 24 uur nog van ons verwacht, wordt veelal niet al te begripvol gereageerd. Men wil gewoon een oplossing, om er in de vakantie niet meer aan te hoeven denken. En of de schooldirecteur maar even stante pede de klassenindeling* voor het volgende jaar ingrijpend wil wijzigen.

Dienstverlenend als we zijn, hebben we in voorkomend geval een aantal keer aangeboden in gesprek te gaan nog voordat de school weer opengaat. Het schoolteam is in de laatste week van de zomervakantie immers al weer aan het werk. Maar dan gebeurt er, tot nu toe zonder uitzondering, iets opmerkelijks. Deze klachten krijgen vrijwel nooit een vervolg. Men klapt de strandstoel uit, bestelt een Margarita en vraagt zich blijkbaar af waar al die drukte voor nodig is geweest. Of de kinderen vertellen dat ze de nieuwe indeling bij nader inzien best leuk vinden. Zoiets moet het wel zijn, want wij zijn nog nooit in de laatste week van de zomervakantie op een school geweest.

De meer ervaren vertrouwenspersonen herkennen dit ongetwijfeld, en zeker niet alleen binnen het onderwijs. Eigenlijk is dat leerzaam: blijkbaar heelt de tijd wonden. Hoe vaak hebben we niet meegemaakt dat, als een gesprek door omstandigheden pas na tien dagen kan worden georganiseerd, de stemming alweer een stuk vrolijker is.

Wij wensen onze lezers een heerlijke zomer toe, al dan niet met strandstoel en caravan.

 

*

Klassenindeling? Voor de vertrouwenspersoon? Is dat weer zo’n geval waarin de afbakening van het aandachtsgebied bij de vertrouwenspersoon uit beeld is gedreven? Nee, want in het onderwijs kennen we andere onderliggende wet- en regelgeving, zeker als het om ouders gaat. Het is niet ver van de waarheid om te zeggen dat je binnen het onderwijs ‘overal over mag klagen’. Meer weten? Volg onze boeiende basistraining voor vertrouwenspersonen in het onderwijs.

 

Wilt u bericht ontvangen zodra er een nieuw artikel verschijnt? U kunt zich hier aanmelden voor ontvangst van onze nieuwsbrieven.

De vertrouwenspersoon en AI: hulp of hinder?

Iedere arts zal het herkennen: de patiënt komt binnen met een uitdraai van bij elkaar gegoogelde informatie over zijn of haar vermeende ziektebeeld, en weet precies te vertellen wat de arts daaraan moet doen. Daar is de patiënt ook lastig vanaf te brengen; hij heeft de symptomen A, B, en C, wat leidt tot de diagnose X, waarbij behandeling Y hoort. En als medisch tijdschrift ‘The Lancet’ dat zegt, wie is dan de huisarts of de arts van het streekziekenhuis om daar iets tegenin te brengen?

De laatste jaren is Google niet meer de enige informatiebron, maar zijn diverse AI-tools breed toegankelijk geworden. Dat maakt het nog gemakkelijker om informatie te verzamelen en dat fenomeen komt ook de spreekkamer binnen. Het gebruik van Google en AI is niet ‘goed’ of ‘fout’. Met een patiënt die geïnteresseerd is in hetgeen hij mankeert, en daarover leest, is het voor een arts vaak gemakkelijker communiceren dan dat dat was met een patiënt in de jaren ’70 – ’80 van de vorige eeuw, die zich wellicht te veel realiseerde dat hij ‘er geen verstand van had’ en blindelings, zonder verdieping en reflectie, deed wat de dokter zei.

Over het raadplegen van AI, Kunstmatige Intelligentie, is in de afgelopen decennia veel geschreven, en we konden er op wachten dat ook wij, als vertrouwenspersonen, met door AI geïnformeerde melders zouden worden geconfronteerd. Wij zijn geen kenners van AI. We houden ons verre van diepgravende analyses over de werking en impact van AI. Maar we kunnen wel beschouwen wat er in onze praktijk gebeurt, en één van onze collega’s werd enkele weken geleden geconfronteerd met een wel heel bijzonder praktijkgeval.

Een melder presenteerde de vertrouwenspersoon zijn communicatie met AI. Voor de vertrouwenspersoon was dit het startpunt, zodat we ons daar in dit artikel eerst op focussen. De vertrouwenspersoon werd geconfronteerd met een digitale conversatie die ronduit fascinerend was, omdat zich een patroon ontspon dat we al tientallen jaren kennen en waarin AI kennelijk niets nieuws weet te brengen: onvolledige communicatie, aannames en daaruit voortvloeiende conclusies die met de werkelijke casus niets te maken hebben. Of, zoals computerwetenschappers het al jaren benoemen: ‘Garbage in, garbage out’.

Zoals melder het aan AI schetste, voelde hij zich onveilig nadat hij negatieve feedback over zijn functioneren had gekregen en een verbetertraject was ingezet. In zijn ‘prompts’ (kort gezegd: de input waarop AI antwoorden formuleert) benoemde melder geen enkel voorbeeld dat op ongewenste omgangsvormen of op een integriteitskwestie zou kunnen duiden, en gebruikte bijvoorbeeld ook niet het woord ‘intimidatie’. Ook benoemde melder niet termen als ‘LVV’. Laten we ons daarbij realiseren dat de term ‘vertrouwenspersoon’ nogal Nederlands van aard is. AI baseert zich op bronnen wereldwijd, zodat het begrijpelijk is dat AI, in diens antwoorden, even de functieomschrijving van de LVV miste en kennelijk een nogal generieke interpretatie van de term ‘vertrouwenspersoon’ hanteerde.

Wat resulteerde was een digitale conversatie, met een door AI bedachte reeks van nogal directieve instructies aan het adres van de ‘vertrouwenspersoon’. De vertrouwenspersoon moest een buffer vormen tussen HR en de melder, ervoor zorgen dat de melder geen direct contact meer zou hebben met zijn leidinggevende, en de directeur van de organisatie verantwoordelijk stellen voor het feit dat geen fatsoenlijk hoor- en wederhoor had plaatsgevonden. Daar kon de vertrouwenspersoon het mee doen. Melder, of beter gezegd AI, had gesproken.

We hoeven het niet te zeggen, want de kenner weet het al: dit doet de vertrouwenspersoon allemaal niet. De vertrouwenspersoon ondersteunt de melder in het kenbaar maken van zijn of haar grieven, maar neemt niet zelf de regie. Áls er tenminste sprake lijkt te zijn van ongewenste omgangsvormen of een integriteitskwestie, en dat werd in de vraagstelling aan AI niet benoemd. Het boeiende aan de kwestie is wel, dat AI een epistel wist te produceren waarin op het eerste oog een zeer heldere probleemanalyse werd gemaakt, en de oplossingsrichting helder werd geschetst. Niet onbegrijpelijk dat de melder hiermee ingenomen was. Maar om te zien dat AI in werkelijkheid nonsens produceerde moet je iets van de materie afweten, en die kennis had melder niet. En AI stelde geen enkele vraag om melder verder te helpen, maar baseerde zich klakkeloos op wat melder ‘prompte’.

Maakt dat de melder hiermee een kortzichtig persoon, die zich de waarheden van AI zonder enige reflectie tot de zijne had gemaakt? Nee, integendeel. Melder is een intelligente man, in staat tot conceptueel denken, en met een vriendelijke en toegankelijke houding naar de vertrouwenspersoon. Melder is een modern mens, die zich liet adviseren door de hulptroepen die hem ter beschikking stonden. AI én de vertrouwenspersoon.

En de uitkomst? Melder trof het nogal met deze vertrouwenspersoon, die zich niet van de wijs laat brengen en bij elke casus een bak aan werk- en levenservaring inbrengt. En die, in tegenstelling tot AI, wél vragen stelt. Wat leverde dat op: melder bleek in een nogal complex web van gebeurtenissen terecht te zijn gekomen, waarbij vermeende ongewenste omgangsvormen, vermeende integriteitskwesties en discussies over zijn functioneren een gelijke rol speelden. En waardoor melder, als mens, niet onbegrijpelijk, geraakt was. De vertrouwenspersoon heeft, juist omdat hij doorvroeg, al deze elementen gefileerd, melder doorverwezen op de punten waar hij geen rol in kon spelen, en hem met een warm hart bijgestaan in de kwesties die wel op het pad van de vertrouwenspersoon lagen.

AI vraagt namelijk niet door, en mag alleen al daarom voor de vertrouwenspersoon niet imponerend zijn. Het blijft mensenwerk…

 

Wilt u bericht ontvangen zodra er een nieuw artikel verschijnt? U kunt zich hier aanmelden voor ontvangst van onze nieuwsbrieven.

‘Begeleider beschuldigde’: arbeidsjurist na twee dagen training?

Er is de laatste tijd veel te doen binnen het werkveld van de vertrouwenspersoon.  Zo lezen we dat vertrouwenspersonen pro-actiever moeten worden, is de wetgeving rondom seksuele misdrijven ingrijpend gewijzigd en vrij recent dook de term ‘begeleider beschuldigde’ op. Het idee is dat elke registervertrouwenspersoon deze rol op zich kan nemen na het volgen van 9 uur e-learning. Én een praktijkdag.

Op het eerste gezicht een aantrekkelijk idee. Ontegenzeggelijk hebben werkgevers ook een zorgplicht voor medewerkers die, al dan niet terecht, beschuldigd worden van ‘grensoverschrijdend gedrag’. Want van zoiets beschuldigd worden is belastend en in sommige gevallen zelfs een traumatische ervaring. Het maakt daarbij niet eens zoveel uit of de beschuldigingen ‘terecht’ zijn of niet. In onze decennialange ervaring als onderzoeker hebben we hier tal van voorbeelden van gezien. Het lijkt dus op zichzelf heel zorgvuldig om, als werkgever, een vertrouwenspersoon aan de beschuldigde ter beschikking te stellen, die hem of haar als lichtend baken door het proces leidt. Dat draagt bij aan een gelijke en zorgvuldige behandeling van de betrokken partijen en zal door de desbetreffende beschuldigde ongetwijfeld zeer gewaardeerd worden. Kortom, blijk van ‘goed werkgeverschap’!

En toch leidt deze ontwikkeling ertoe dat een zorg die wij al langer hebben weer actueel wordt. Daarbij gaat het ons eigenlijk niet zozeer om de noodzaak van de rol van ‘begeleider beschuldigde’, maar de manier waarop je als vertrouwenspersoon deze rol zou kunnen vervullen. En die wijze is niet meer dan het nieuwste voorbeeld van een tendens die we in ‘vertrouwensland’ al veel langer zien: het zéér kort en summier opleiden van mensen, om hen vervolgens aan het werk te laten gaan met casuïstiek die veelal complex en onoverzichtelijk is, uiterst gevoelig ligt en voor veel dynamiek binnen organisaties zorgt. Casuïstiek waarbinnen men rapporteert aan de hoogste leidinggevende laag van de organisatie, waardoor men veel invloed heeft op het verloop. Casuïstiek dus, waarbinnen men veel goeds kan betekenen maar ook gemakkelijk rampen kan veroorzaken. Laten we het rijtje eens doornemen.

Geaccrediteerde basisopleiding vertrouwenspersoon: minimaal drie dagen

U zult zeggen vier, maar als het gaat om ongewenste omgangsvormen is dat niet correct. De vierde dag is jaren geleden ingevoerd om het onderwerp ‘integriteit’ te kunnen behandelen. Daar komen we later op terug. Drie dagen effectief dus. Met drie PowerPoint presentaties op zak en na minimale praktijktraining kan men door melders benaderd worden. Het resultaat van dit construct is natuurlijk wisselend. Als de deelnemers hoogopgeleid zijn of minimaal beschikken over een HBO werk- en denkniveau, aardig wat werk- en levenservaring hebben opgebouwd én gewend zijn te functioneren in een complexe context waarin veel belangen een rol spelen, zal dat doorgaans wel lukken. Dan gaat het om niet méér dan het bijbrengen van de specifieke finesses van het vertrouwenswerk. Maar als men niet over die bagage beschikt is er een grote kans dat de kersverse vertrouwenspersoon bij complexe casuïstiek overvraagd wordt. Een recent voorbeeld: een interne vertrouwenspersoon, opgeleid maar met weinig praktijkervaring, hoort van een melder dat ‘ook anderen wel iets vinden van die manager’. De vertrouwenspersoon raadt de melder aan deze mensen naar haar te sturen, ‘want dan zijn ze allemaal bij hetzelfde loket’. Dit is niet tegen dovemansoren gezegd: een dag later staat de teller op 11 melders. Als het bevoegd gezag vervolgens van dit aantal hoort, zonder toelichting betreffende het tot stand komen ervan, is de schrik natuurlijk groot en wordt al snel gekeken naar een zware en buitenproportionele interventie.

Nemen we dit deze vertrouwenspersoon nu kwalijk? Nee, natuurlijk niet. Goed, wellicht had ze beter even kunnen sparren met een meer ervaren collega, maar dat hóeft ze niet te doen. Ze is immers gekwalificeerd…

Integriteit: als deel van de basisopleiding één dag

Toen deze dag aan het curriculum werd toegevoegd stelde de toenmalige voorzitter van de LVV zich op het standpunt dat men toch onmogelijk van mensen kon verwachten om binnen één dag geëquipeerd te zijn voor deze zo mogelijk nog complexere rol. De term ‘inleiding op het onderwerp integriteit’ is toen geïntroduceerd, maar inmiddels ook weer uit het curriculum weg geërodeerd. We kunnen nu ook betogen waarom deze enkele dag niet volstaat, maar houden het bij een illustratieve opsomming van casuïstiek die wij als bureau in deze context zien langskomen: Ernstige milieudelicten met direct gevaar voor omwonenden, vermeende illegale praktijken met de handel in aandelen, het niet volgen van aanbestedingsregels, ernstige misstanden in de zorg met grote gezondheidsrisico’s voor kwetsbare patiënten. Uiteraard, in alle gevallen, met de bijbehorende dynamiek binnen de organisatie en het bevoegd gezag, waaraan we rapporteren. Dit moet wel een hele effectieve cursusdag zijn…

Begeleider beschuldigde: e-learning van 9 uur, één praktijkdag

Waarbij overigens het gevolgd hebben van de geaccrediteerde basisopleiding wel verplicht is. Maar toch efficiënt: na welgeteld zes dagen training mag men alle in dit artikel genoemde rollen op zich nemen.

Terug naar de ‘begeleider beschuldigde’. Weet u wat ‘ne bis in idem’ is? Kent u de recente jurisprudentie rondom het vrijstellen van werk van beschuldigden?  En kent u, als u wel eens voor de overheid werkt, de geschreven en ongeschreven regels van publiekrecht die krachtens art. 3:14 BW ook van toepassing zijn op het genormaliseerde ambtenarenrecht? Want dit laatste werd recentelijk aangehaald in een casus waarbij een leidinggevende was ontslagen nadat medewerkers zich ‘onveilig’ hadden gevoeld. Een beschuldigde dus. En wat weet u van rehabilitatie? Ligt dat altijd voor de hand, als een formele klacht niet-gegrond is verklaard? Goed, dat van het publiekrecht is misschien wat flauw, maar de andere genoemde zaken kunnen van groot belang zijn om een beschuldigde deskundig bij te staan.

We zouden kunnen betogen dat de ‘begeleider beschuldigde’ zich alleen zou moeten bezighouden met de mentale ondersteuning en procedurele begeleiding van degene die beschuldigd is. En zou moeten doorverwijzen naar een jurist, zodra daar aanleiding voor is. Maar kan de begeleider dit op deskundige wijze en ook tijdig bepalen? Overziet de ‘begeleider beschuldigde’ het arbeidsrechtelijke speelveld waar de beschuldigde in terecht is gekomen, wat maakt dat elke stap die gezet wordt, consequenties kan hebben voor het vervolg van zijn of haar loopbaan?

De cliënt zelf zal hier niet direct mee bezig zijn. Die is in vertwijfeling over wat er allemaal gebeurt, allang blij dat er iemand is die luistert en gaat er blindelings vanuit dat de begeleider de benodigde kennis wel heeft. Wat, volgens ons, zeer de vraag is na twee dagen opleiding.

Laten we, in plaats van weer een nieuwe ‘deskundigheid in twee dagen’ te bedenken in de vorm van de ‘begeleider beschuldigde’, met elkaar reflecteren op de vraag hoe vertrouwenspersonen geëquipeerd kunnen worden om hun werk werkelijk goed en verantwoord te doen. Zodanig dat melders, beschuldigden en organisaties niet gedupeerd worden, maar ook zodanig dat de vertrouwenspersoon zelf niet heel kwetsbaar in de dynamiek van deze rol staat.

Al vanaf het moment waarop de geaccrediteerde basisopleidingen tot vertrouwenspersoon in het leven zijn geroepen is er discussie geweest over de minimale duur van die opleiding. Dit heeft tot het compromis van (inmiddels) vier dagen geleid. Niet vergeten mag worden dat de rol van de vertrouwenspersoon, maar vooral de eisen die aan hem of haar worden gesteld door werkgever en maatschappij, de laatste tijd aanzienlijk zijn verzwaard. Dit in het kielzog van de toegenomen belangstelling voor het onderwerp ‘ongewenste omgangsvormen’.

Graag sluiten we een artikel als dit af met mogelijke oplossingen. Wij gaan daar niet over, maar kunnen als ervaren opleiders, die ook nog dagelijks actief zijn in het werkveld wel wat suggesties doen om de boel een beetje op te schudden:

  • Een grondig assessment van potentiële deelnemers aan de basisopleiding op werk- en denkniveau;
  • Het maken van onderscheid tussen ‘gecertificeerd vertrouwenspersoon’ (na het succesvol afronden van het examen en het assessment) en ‘registervertrouwenspersoon’ (na het aantoonbaar hebben behandeld van 25 praktijkcasussen);
  • En last but not least: het verzwaren van de basisopleiding, waarbij de opleiding tot registermediator als voorbeeld kan dienen.

 

Wilt u bericht ontvangen zodra er een nieuw artikel verschijnt? U kunt zich hier aanmelden voor ontvangst van onze nieuwsbrieven.

Moeilijke melder; wat te doen?

Elke vertrouwenspersoon die al een tijdje meeloopt herkent het wel: eens in de zoveel tijd krijg je te maken met een melder bij wie je twijfels hebt over de psychische gezondheid. Dat kan allerlei vormen aannemen; melders kunnen werkelijk in psychische nood verkeren, maar ook kan het zijn dat de melder gebeurtenissen, laten we zeggen, ruimschoots anders interpreteert dan de gemiddelde persoon zou doen.

Laten we er eens één van de vele casussen die binnen ons bureau passeerden uitpakken. We beginnen met de ‘techniek’, die dingen die je als vertrouwenspersoon in zo’n geval kunt doen. Waarbij we ons wel realiseren dat we niet alle antwoorden hebben en dat het altijd maatwerk blijft. We eindigen met de vertrouwenspersoon ‘als mens’, vanuit de wetenschap dat zulke casussen ook op persoonlijk niveau zwaar kunnen zijn.

Het voorbeeld dat ons het meeste bijstaat is de volgende:

Een mannelijke student die als zij-instromer, dus na het doorlopen van een andere carrière, een HBO-opleiding volgde. Deze student meende dat op school sprake was van een ‘toxisch systeem’, waaraan ongeveer iedereen die hij in de loop van zijn opleiding ontmoette bijdroeg. Melder had zijn grieven al tot het College van Bestuur geuit. Wat hij aan beschuldigingen uitte was niet mis en de toon was heftig, maar het verhaal was nauwelijks feitelijk onderbouwd. Hij stelde dat hij door de opstelling van anderen zeer ernstige psychische schade opliep. Onder meer gebeurde dit, aldus melder, doordat andere studenten na enige tijd steeds weigerden om nog met hem samen te werken. Tja…

Melder had een exact beeld van wat een vertrouwenspersoon in zijn ogen behoorde te doen, zonder dat dit beeld ergens op gestoeld was. Bij de uitgangspunten van de LVV sloot zijn visie in elk geval niet aan. In korte tijd versleet hij drie vertrouwenspersonen, die ofwel zelf stopten of door melder bij het grofvuil werden gezet. Deze drie vertrouwenspersonen waren ontzet door de manipulatieve stijl van communiceren van de melder; soms vriendelijk, dan ineens weer verbaal zeer agressief. De vierde vertrouwenspersoon lukte het zowaar om een behoorlijk inhoudelijk gesprek met melder te voeren, maar moest daarna ervaren dat dit door melder was opgenomen en dat de opname door melder in brede kring werd verspreid, waaronder bij het bestuur van de LVV. Voor de goede orde: dat opnemen mag, maar het lukraak verspreiden van de opname niet zomaar. Melder liet zich ook nog ondersteunen door zijn echtgenote, die naar eigen zeggen psychotherapeut was en zo mogelijk nog steviger tekeer ging dan haar partner.

Vaak hoor je dat de vertrouwenspersoon een ondersteunende rol moet blijven aannemen, zonder gehinderd te worden door eigen meningen en overtuigingen. In de meeste casussen klopt dat natuurlijk ook wel. Vaak lukt het prima om ook melders die wat anders tegen zaken aankijken dan de vertrouwenspersoon zelf, goed te begeleiden en door het proces te loodsen. Als de melder daarbij openstaat voor feedback en reflectie kan je in zo’n traject nog van meer waarde zijn. Maar in de genoemde casus? Je hebt immers in zo’n geval wel degelijk ‘meningen en overtuigingen’ die maken dat je niet meer neutraal kan zijn, en ook het incasseringsvermogen van de vertrouwenspersoon is niet grenzeloos.

Bij het schrijven van deze stukjes laat ik me een enkele keer inspireren door AI, en dit keer kreeg ik een hele wijze reactie: ‘Het is essentieel dat de vertrouwenspersoon toch probeert te begrijpen wat de ander, vanuit zijn of haar belevingswereld, beleeft en bedoelt’. En warempel, dat is wat de successievelijke vertrouwenspersonen in de genoemde casus ook oprecht hebben gedaan. In dit geval zonder succes, maar het je inleven in de melder is nu juist wat het werk van de vertrouwenspersoon zo boeiend maakt. Je hoeft het dan nog niet met melder eens te zijn, maar je poging hem of haar te begrijpen doet vast goede dingen met het contact.

In onze opleiding komt de vraag altijd terug: wat te doen als je het niet eens bent met je melder? Ons -soms iets te makkelijke- antwoord is dan: probeer procedureel te blijven ondersteunen. Ook als je niets begrijpt van wat de melder ervaart, blijft het immers mogelijk scenario’s te schetsen. Of de ander daar dan iets mee doet is niet de verantwoordelijkheid van de vertrouwenspersoon. Wel stuit je soms op het volgende probleem: de melder kan ervan overtuigd zijn dat de formele klacht de enige juiste weg is om de ‘schuldigen’ eens flink aan te pakken. De melder uit de beschreven casus wilde dan wel geen klacht indienen, maar hij verlangde wel een onderzoek, dus een formeel traject. Daar zul je in sommige gevallen vanuit je professionele kijk op de zaak niet achter staan. Maar wat kan je als vertrouwenspersoon in dat geval eigenlijk gebeuren? Je hebt het formele traject immers niet geadviseerd, maar volledigheidshalve op de mogelijkheid ervan gewezen. Maar sta je dan niet voor gek bij je opdrachtgever, als je iemand ondersteunt bij het indienen van een bizarre klacht? Dat kan zo voelen, maar misschien valt het mee; de opdrachtgever kent de melder zelf waarschijnlijk ook al een tijdje, en bovendien kan het in zo’n geval ook nog helpend zijn om de klachtencommissie de zaak eens te laten objectiveren. Nog afgezien van de vraag of ‘niet voor gek willen staan bij je opdrachtgever’ een leidmotief voor vertrouwenspersonen zou moeten zijn…

Maar soms lukt er niets meer, en wil je de ondersteuning beëindigen. In de Gedragscode van de LVV staat daarover het volgende:

De vertrouwenspersoon kan op basis van eigen professionele verantwoordelijkheid en naar de eisen van de redelijkheid de opvang en begeleiding van de melder (tussentijds) beëindigen. Indien de vertrouwenspersoon tussentijds beëindiging overweegt dient deze dit voorafgaand met de melder te bespreken, tenzij sprake is van een zodanige situatie dat dit in alle redelijkheid niet kan worden gevraagd van de vertrouwenspersoon. Voorts dient de vertrouwenspersoon zoveel mogelijk zorg te dragen voor doorverwijzing naar andere vertrouwenspersonen en/of hulpverleners.

Over het beëindigen van de ondersteuning door een vertrouwenspersoon is ooit een klacht ingediend bij de Klachtencommissie van de LVV. Uit de uitspraak van die commissie bleek dat deze passage nogal streng werd gehanteerd. De klacht is gegrond verklaard omdat de vertrouwenspersoon, tussen wie en de melder een volledig verstoorde relatie was ontstaan waarbinnen melder ook behoorlijk verbaal agressief was geworden, niet eerst bij melder had aangegeven dat ze zou stoppen. De woorden ‘in alle redelijkheid’ dienen dus (of dienden toen dus, de klacht dateert van enkele jaren geleden) niet licht gewogen te worden.

Kortom: probeer in contact te blijven, verdiep je in de belevingswereld van de melder, steun desnoods alleen procedureel en sluit in het uiterste geval het traject af, maar dat laatste dan wel strak volgens de regels in de gedragscode.

Maar dan de vertrouwenspersoon zelf, als mens. De casuïstiek die bij ons binnenkomt is niet representatief voor de gemiddelde vertrouwenspersoon omdat we een groot bureau hebben, maar de oogst van een paar maanden is niet misselijk: Een zorgverlener die door plotselinge ernstige ziekte haar hele carrière onherroepelijk verliest, en door de bril van rouw het handelen van haar leidinggevenden aantoonbaar onterecht in een gitzwart daglicht stelt; een jonge aangeklaagde verzorgende die door psychisch lijden zeer deviant gedrag vertoont en daarbij, niet gehinderd door enig toezicht van de leiding, kwetsbare ouderen in dat lijden meesleept;  een erg eenzame docente die, door een buitenechtelijke affaire te beginnen met de vader van kinderen die op haar school zitten, een enorme rel veroorzaakt die haar haar werkplek kost. Menselijk leed, en de vertrouwenspersoon die het ooit heeft meegemaakt kan erover meepraten: ineens, zonder voorbereiding, kan je belanden in een verdrietig verhaal dat je niet zomaar loslaat.

Een vraag die óók in elke opleiding terugkomt: ‘Mag ik met collega’s sparren over moeilijke casuïstiek, staat de geheimhoudingsplicht dat wel toe?’ Ons antwoord is altijd ‘ja, dat mag’. Alleen al omdat het bijdraagt aan je professionaliteit: je ervaring toetsen bij een niet-betrokken collega maakt dat je gespiegeld wordt door iemand die niet emotioneel betrokken is. Maar even belangrijk is de zorg voor de vertrouwenspersoon zelf: als de geheimhoudingsplicht sparren zou verbieden, wordt het immers een eenzame taak en door geen lucht te geven aan belastende ervaringen stapelen die zich op.

Zorg voor een fijne intervisiegroep, of een kring van collega’s waarbij je je veilig voelt. En spar zoveel je wilt. Noem dan niet de namen van betrokkenen of organisaties, dan schend je de vertrouwelijkheid sowieso niet. Weet je niemand? Bel ons.

Moet een vertrouwenspersoon verplicht worden of niet?

Inleiding

Op 13 maart 2025 publiceerde EW Magazine een artikel, waarvoor de schrijver dezes werd geïnterviewd. In dit artikel wordt ingegaan op het gebrek aan regulering binnen de ‘integriteitsindustrie’. Onder die term worden begrepen de particuliere onderzoeksbureaus die zich bezighouden met onderzoek naar ‘grensoverschrijdend gedrag’ én ditmaal ook de (groeiende) ‘markt van vertrouwenspersonen’.

De enigszins cynische toon van het artikel reflecteert hetgeen de auteurs op zichzelf terecht stellen, namelijk dat roep om verbeterde regulering al jaren klinkt.

Want al in het jaar 2020 diende het kamerlid Wim-Jan Renkema (GroenLinks) een wetsvoorstel in, op basis waarvan het ter beschikking stellen van een vertrouwenspersoon aan medewerkers verplicht zou moeten worden gesteld voor organisaties. Dit voorstel is door de tweede kamer aangenomen, maar heeft de eerste kamer nog niet gepasseerd. Het betreft overigens een voorstel tot wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet.

Los van de vraag of het wetsvoorstel het in de eerste kamer zal ‘halen’, moet deze verplichting er komen? De vertrouwenspersonen die wij dit hebben gevraagd, zeggen min of meer unaniem ‘ja’. Is verplicht stellen van vertrouwenspersonen een goede stap in de richting van betere regulering? Laten we ons op de feiten baseren en eens kijken naar de precieze inhoud van de (voorgenomen en bestaande) wetgeving rondom vertrouwenspersonen en de implicaties daarvan.

De ‘roep om regulering’

Om de gestelde vraag te kunnen beantwoorden moeten we eerst vaststellen wat wordt verstaan onder de wens tot regulering. In het artikel in EW Magazine wordt dat samengevat in de volgende passage:

‘Ook in de enorm gegroeide markt van vertrouwenspersonen is er geen adequaat toezicht. Er is geen beroepsmogelijkheid, toetsingskader of tuchtcollege. (…) De Landelijke Vereniging voor Vertrouwenspersonen (LVV) probeert als beroepsvereniging met haar keurmerk enige orde op zaken te stellen, maar heeft geen officieel mandaat.’

Hier zou je natuurlijk wel enigszins over kunnen twisten. Naar onze mening is de LVV er in de afgelopen jaren in geslaagd een behoorlijke kwaliteitsslag te maken. Maar waar het hier om gaat is dat, wanneer het wetsvoorstel zou worden aangenomen, werkgevers verplicht worden tot het instellen van een rol, terwijl alle kwaliteitswaarborgen ten aanzien van die rol worden geregeld door een ‘particuliere’ vereniging.

Daarnaast gaat het ook over de kwaliteit van de opleiding tot vertrouwenspersoon, in relatie tot de duur daarvan. De discussie hierover is niet nu, door het artikel, voor het eerst aangezwengeld maar loopt al sinds de opleidingen voor accreditatie door de LVV in aanmerking komen. Destijds is een balans gezocht, waarbij de toegankelijkheid van de opleiding een voorname rol speelde. Gekozen werd voor een minimale duur van drie dagen. Later, toen het onderwerp ‘integriteit’ verplichte kost werd, is dit verlengd naar vier dagen. Overigens zijn er ook vele aanbieders die de opleiding, zonder accreditatie door de LVV, aanbieden. In het artikel in EW Magazine betoogt Gerda Arends, waarnemend voorzitter van de LVV, dat het overzicht hierdoor ‘volledig zoek’ is.

Is die verplichting er al? Het onderwerp ‘integriteit’.

Het wetsvoorstel van het kamerlid Renkema beoogt werkgevers te verplichten om een vertrouwenspersoon aan te stellen. Deze vertrouwenspersoon zou een aanspreekpunt moeten zijn voor medewerkers die te maken hebben met ongewenst gedrag, zoals pesten, discriminatie of (seksuele) intimidatie.

De ingevoerde lezer ziet meteen dat hier iets ontbreekt: het onderwerp ‘integriteit’. Bij gebrek aan beter wordt dit ook wel ‘zakelijke integriteit’ genoemd, in de zin van fraude, diefstal et cetera. Strikt genomen gaat het overigens om meldingen die gedaan worden op grond van de Wet Bescherming Klokkenluiders (WBK), waarbij het gaat om misstanden waarbij het maatschappelijk belang in het geding is. Veel werkgevers kiezen er echter voor de verplichte interne meldregeling te verbreden, zodat de vertrouwenspersoon ook beschikbaar is bij ‘integriteitsmeldingen of bij het melden van onregelmatigheden’. Zoals gezegd is het onderwerp ‘integriteit’, sinds het jaar 2021, in de geaccrediteerde opleiding tot vertrouwenspersoon een verplicht nummer. Het is een rekbaar begrip, want het zich schuldig maken aan ‘ongewenst gedrag’ is natuurlijk ook niet integer. En wat als iemand gepest wordt, omdat hij een misstand aanhangig heeft gemaakt? Dan komen de beide onderwerpen samen in één casus. Om die reden zijn wij altijd voorstander geweest van de ‘combinatierol’, waarbij de vertrouwenspersoon beide aandachtsgebieden onder zich heeft.

Een omissie in het wetsvoorstel dus? Dat is een lastige vraag. Mr. Leo ten Brink, oud-voorzitter van de LVV en een gewaardeerd lid van ons netwerk, wierp tijdens zijn voorzitterschap de vraag op of in alle redelijkheid van vertrouwenspersonen kan worden verwacht dat zij binnen een opleidingsduur van vier dagen goed geëquipeerd kunnen zijn om zware casuïstiek rondom ‘integriteit’ goed te kunnen behandelen. Om daar wat inhoud aan te geven: binnen ons bureau gaat het dan bijvoorbeeld om meldingen van vermeende milieudelicten. Of misstanden in de zorg, die van direct invloed zijn op de patiëntveiligheid. Soms zelfs op leven en dood.

Dit aspect ‘integriteit’ raakt dus direct de discussie over de kwaliteit (en/of duur) van de opleiding. Daarnaast zou men kunnen stellen, dat de voornoemde WBK al een verplichting inhoudt tot het aanstellen van een vertrouwenspersoon, bij organisaties met meer dan 50 werknemers. Op grond van die wet namelijk, moet een werknemer de mogelijkheid hebben om een adviseur in vertrouwen te raadplegen over zijn vermoeden van een misstand. Dit kan de vertrouwenspersoon zijn, en bij de meeste organisaties die wij kennen is dat ook zo geregeld.

Wat we dus zien is, dat er twee wetten (of eigenlijk een wet en een wetsvoorstel) van belang zijn bij de bepaling of een vertrouwenspersoon verplicht is. Het is de vraag of dit wenselijk is.

Wat zegt het wetsvoorstel?

Terug naar de vraag of het verplicht stellen van een vertrouwenspersoon, volgens het wetsvoorstel van Renkema, bijdraagt aan de regulering van de sector.

Dit is zeer de vraag. Ten aanzien van zaken als beroepsmogelijkheid, toetsingskader en tuchtcollege is in het wetsvoorstel in het geheel niets geregeld. Ten aanzien van de aan de vertrouwenspersoon te stellen opleidingseisen is het voorstel zéér summier. In het voorstel wordt hierover niet meer gezegd dan:

‘De vertrouwenspersonen beschikken over een zodanige deskundigheid en ervaring, zijn zodanig in aantal, gedurende zoveel tijd beschikbaar en worden zodanig ondersteund, dat zij de functie van vertrouwenspersoon naar behoren kunnen vervullen, waarbij in het bijzonder het vertrouwelijke karakter van de functie is gewaarborgd.’

Deze formulering is natuurlijk boterzacht. ‘Zodanige deskundigheid’ zegt ons niets over de wijze waarop deze deskundigheid tot stand zou moeten komen. Bovendien is het van belang op te merken dat, op grond van het voorstel, volstaan kan worden met de aanstelling van een interne vertrouwenspersoon. Dit heeft, wat ons betreft, implicaties voor de ‘zodanige ervaring’ waarover wordt gesproken. Het is nu eenmaal een ervaringsfeit dat het voor interne vertrouwenspersonen lastig is om voldoende vlieguren te maken.

De conclusie moet dan ook luiden dat het voorstel niet bijdraagt aan de gewenste regulering, en zelfs niet aan het uiteindelijke doel van die regulering, te weten het verbeteren van de kwaliteit van het vertrouwenswerk. Bovendien zien we, dat, wanneer het wetsvoorstel wordt aangenomen, de verplichting tot het aanstellen van een vertrouwenspersoon dan geregeld wordt in twee verschillende wetten; de Wet Bescherming Klokkenluiders én de Arbeidsomstandighedenwet. De eerste regelt (als de verplicht aanwezige adviseur de vertrouwenspersoon is) het werk van de ‘vertrouwenspersoon integriteit’, terwijl de tweede gaat over het werk van de ‘vertrouwenspersoon ongewenste omgangsvormen’. De LVV gaat al sinds 2021 uit van het combineren van deze rollen. Een goede zaak, omdat de beide onderwerpen in de praktijk niet zo gemakkelijk van elkaar te scheiden zijn. Dit zou dus een stap terug in de tijd betekenen.

Dus maar niet verplichten?

Zo makkelijk ligt het wat ons betreft niet. Immers zou het verplicht stellen van een vertrouwenspersoon wel degelijk een vliegwieleffect kunnen hebben op de gewenste professionalisering en regulering.

En er is nog een belangrijk lichtpuntje: in het wetsvoorstel wordt de rechtsbescherming van de vertrouwenspersoon geregeld, en wel met het volgende artikel:

‘De werknemer (…) wordt uit hoofde van een juiste functievervulling niet benadeeld in diens positie in het bedrijf of de inrichting. Artikel 21, vierde zin, van de Wet op de ondernemingsraden is van overeenkomstige toepassing.’

Dit is iets waar vertrouwenspersonen al jaren naar uitzien. De rol van de vertrouwenspersoon kent nu eenmaal een afbreukrisico, immers als je je werk goed doet, maak je niet altijd alleen maar vrienden.

Maar wij blijven het opmerkelijk en vreemd vinden dat een bepaalde ‘rol’, die van vertrouwenspersoon, verplicht wordt gesteld terwijl er verder geen enkel wettelijk kader wordt gegeven ten aanzien van zaken als deskundigheid en opleidingseisen. Tel daarbij op dat organisaties die het aanstellen van een vertrouwenspersoon laten afhangen van een wettelijke verplichting, in sommige gevallen niet te veel affiniteit zullen hebben met het creëren van een sociaal veilige werkomgeving. Deze organisaties zullen ervoor kiezen een interne medewerker op cursus te sturen. Hopelijk een geaccrediteerde, maar zelfs dat lijkt niet verplicht te worden gesteld. Daarmee is voor de organisatie het vinkje gezet, maar of deze vertrouwenspersoon ook effectief zijn of haar werk kan doen, is dan maar de vraag.

 

Wil je de nieuwsbrieven van De Vertrouwenspersoon ontvangen? Meld je hiervoor aan.

Wegkijken en de theorie van cognitieve dissonantie

Wegkijken

Vertrouwenspersonen en onderzoekers van klachten over grensoverschrijdend gedrag kennen het fenomeen. ‘Iedereen’ wist ervan maar men, collega’s én leidinggevenden, kozen ervoor de signalen te negeren. Wegkijken kan desastreuze gevolgen hebben. Denk alleen al aan de toeslagenaffaire, waarbij zich onder het oog van tal van mensen een ramp voltrok.  Waarom kijken mensen weg? We kijken ernaar tegen de achtergrond van de theorie van cognitieve dissonantie.

Cognitieve dissonantie

Cognitieve dissonantie is een psychologische theorie ontwikkeld door Leon Festinger in 1957, die stelt dat mensen een innerlijke drang hebben om consistentie te behouden tussen hun overtuigingen, attitudes en gedragingen. Wanneer er een conflict ontstaat tussen deze elementen, ervaren mensen een onaangename spanning, bekend als cognitieve dissonantie. Een veel voorkomende manier waarop mensen deze spanning proberen te verminderen, is door wegkijken, oftewel het negeren of ontkennen van informatie die hun overtuigingen of gedragingen tegenspreekt.

De grondslagen van Cognitieve dissonantie

Festinger introduceerde het concept van cognitieve dissonantie om te verklaren hoe mensen omgaan met tegenstrijdige informatie. Volgens hem ervaren mensen een gevoel van ongemak wanneer ze geconfronteerd worden met informatie die in strijd is met hun bestaande overtuigingen of gedragingen. Dit ongemak motiveert hen om de dissonantie te verminderen door een van de volgende strategieën te gebruiken:

  • Veranderen van gedrag of overtuigingen om ze in overeenstemming te brengen met nieuwe informatie.
  • Zoeken naar bevestiging van bestaande overtuigingen en het vermijden van tegenstrijdige informatie.
  • Minimaliseren van het belang van de dissonante informatie.

Wegkijken als copingmechanisme

Wegkijken is een specifiek mechanisme dat mensen gebruiken om cognitieve dissonantie te verminderen. Dit houdt in dat ze zich bewust of onbewust afsluiten voor informatie of situaties die hun overtuigingen uitdagen. Dit kan in verschillende vormen voorkomen:

Bewust wegkijken

Bij bewust wegkijken negeren mensen doelbewust informatie die hun overtuigingen tegenspreekt. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren wanneer iemand weigert nieuwsberichten te lezen die ingaan tegen hun politieke overtuigingen, of wanneer een roker de gezondheidswaarschuwingen op sigarettenverpakkingen negeert.

Onbewust wegkijken

Bij onbewust wegkijken zijn mensen zich niet volledig bewust van hun neiging om conflicterende informatie te vermijden. Dit kan zich manifesteren als selectieve perceptie, waarbij mensen alleen informatie opmerken die hun overtuigingen bevestigt, of als geheugenbias, waarbij ze zich alleen herinneren wat in lijn is met hun bestaande opvattingen.

Voorbeelden van wegkijken in het werk van de vertrouwenspersoon

Conflicten op de werkvloer: Een vertrouwenspersoon kan te maken krijgen met medewerkers die onvrede of een dispuut op de werkvloer negeren of vermijden. Dit kan gebeuren omdat ze bang zijn voor repercussies of omdat ze denken dat het probleem vanzelf zal verdwijnen. Door weg te kijken, hopen ze de cognitieve dissonantie te verminderen die ontstaat door de stress en ongemak van het conflict.

Ongewenst gedrag: Medewerkers kunnen ongewenst gedrag, zoals pesten of seksuele intimidatie, negeren omdat ze bang zijn voor de gevolgen van het melden ervan. Ze kunnen ook denken dat het melden van het gedrag hun eigen positie in gevaar brengt of dat ze niet serieus genomen zullen worden. Wegkijken helpt hen om de dissonantie tussen hun behoefte aan een veilige werkomgeving en de realiteit van het ongewenste gedrag te verminderen en omstandigheden te zoeken waardoor datgene wat gezien wordt minder erg lijkt. ‘Het zal wel meevallen’, en ‘je weet niet wat hiervoor gebeurd is’, zijn argumenten die het wegkijken rechtvaardigen.

Gevolgen van wegkijken

Hoewel wegkijken op korte termijn kan helpen om cognitieve dissonantie te verminderen, heeft het vaak negatieve gevolgen op lange termijn. Door conflicterende informatie te negeren, kunnen mensen vast komen te zitten in een vicieuze cirkel van onwetendheid en vooroordelen. Dit kan hun vermogen om rationele beslissingen te nemen en constructieve veranderingen door te voeren, belemmeren.

Individuele gevolgen

Op individueel niveau kan wegkijken leiden tot een gebrek aan persoonlijke groei en ontwikkeling. Mensen die zich afsluiten voor nieuwe informatie en ervaringen, missen de kans om hun horizon te verbreden en hun begrip van de wereld te verdiepen.

Maatschappelijke gevolgen

Op maatschappelijk niveau kan wegkijken bijdragen aan de in stand houding van schadelijke systemen en structuren. Wanneer grote groepen mensen ervoor kiezen om problemen zoals klimaatverandering, sociale ongelijkheid of gezondheidsrisico’s te negeren, wordt het moeilijker om collectieve actie te ondernemen en positieve veranderingen te bewerkstelligen.

Gevolgen van belang voor de vertrouwenspersoon

In feite is dit een vertaling van wat hierboven al staat. Als men er binnen organisatie voor kiest weg te kijken, bemoeilijkt dit het aanpakken van problemen rondom integriteit en grensoverschrijdend gedrag in het beginstadium. Zowel op cultuur- als op incidentniveau. Escalaties, en mogelijk daaruit voortvloeiende onderzoeken die niet nodig waren geweest wanneer men eerder had ingegrepen, kunnen het gevolg zijn.

Wat helpt?

Makkelijke oplossingen zijn er niet. Het spreken over een ‘aanspreek-‘ of ‘feedbackcultuur’ is waardevol,  maar het is niet genoeg.

Het krachtige effect van cognitieve dissonantie begrijpen helpt ons misschien verder. We geven elkaar dan niet langer de schuld van het wegkijken, maar proberen een manier te vinden om dat te omzeilen. In onze ervaring zijn ‘awareness trainingen’ nuttig. Teams én hun leidinggevenden worden in één ruimte gezet voor een groepsgesprek. Men kan zich in alle veiligheid uitspreken over de ervaringen met grensoverschrijdend gedrag binnen de organisatie. Het laten doordringen van de ervaringen van anderen maakt dat men er niet meer omheen kan. Een belangrijk stap in het (blijven) bewerkstellingen van een sociaal veilige werkomgeving.