Verbod op seksuele intimidatie niet erg effectief. En dus ook niet zinvol?

In verband met vakantie is het schrijversteam dat zich met deze nieuwsbrief bezighoudt gehalveerd; alleen de mannelijke auteur, tevens de mannelijke helft van ons directieteam, is aanwezig. Dat komt me in die zin goed uit omdat ik al dagenlang, als man zijnde, iets wil zeggen over actuele thema’s als ‘wij eisen de nacht op’, en de mannelijke influencers die zonneklaar stellen dat geweld tegen vrouwen een probleem is waarvoor mannen verantwoordelijk zijn.

Ik wilde zeggen dat ik die initiatieven van harte toejuich, maar dat durfde ik niet zo goed, en zeker niet hier in de nieuwsbrief van ons bureau. De aanleiding voor deze belangstelling voor het onderwerp ‘geweld tegen vrouwen’ is namelijk te gruwelijk voor woorden, zodat mijn inbreng gemakkelijk als onsmakelijk opportunisme zou kunnen worden gezien.

Sander Schimmelpenninck gebruikte deze woorden in de Volkskrant van 25 augustus om de reactie van politici op deze aanleiding te duiden, en ongelijk had hij niet. Maar nu had ik ineens, door een publicatie op nieuwssite NU.nl, een haakje; deze publicatie deed me namelijk denken aan mijn ontmoeting met Aziza. Over Aziza durf ik wél iets te zeggen, want ze is in mijn carrière binnen het vertrouwenswerk een belangrijke inspirator geweest. Over haar later meer, eerst wat toelichting.

Per 1 juli 2024 is de Wet seksuele misdrijven van kracht geworden. Diverse aspecten van deze wet zijn voor de vertrouwenspersoon van belang, maar vandaag beperken we ons tot het verbod op seksuele (straat)intimidatie.

NU.nl heeft het effect van dit verbod in kaart gebracht door middel van een rondvraag bij het Openbaar Ministerie, gemeentes en handhavers. Wat blijkt? Het verbod is bijzonder lastig te handhaven. Bij het Openbaar Ministerie zijn tot en met mei 2025 van dit jaar 89 zaken binnengekomen, waarvan er 55 tot een rechtszaak hebben geleid. De handhavers in Rotterdam kregen één zaak voor de rechter en in Utrecht twee. We hebben het over een overtreding (geen misdrijf) zodat betrappen op heterdaad noodzakelijk is. Dat blijkt in de praktijk moeilijk.

Wat is eigenlijk seksuele (straat)intimidatie? Wij kennen al de definitie uit de Memorie van Toelichting van de Arbeidsomstandighedenwet, maar het is duidelijk dat deze hier niet van toepassing is. Het desbetreffende artikel in het Wetboek van Strafrecht, 429ter,  luidt:

‘Degene die in het openbaar een ander indringend seksueel benadert door middel van opmerkingen, gebaren, geluiden of aanrakingen op een wijze die vreesaanjagend, vernederend, kwetsend of onterend is te achten, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de derde categorie’

Voorafgaand aan het moment waarop het verbod werd ingevoerd zei toenmalig minister Yesilgöz: “Seksuele intimidatie moet harder worden aangepakt. Het is onacceptabel dat straten gemeden worden”. Het is overigens wrang hoe deze woorden nu weer in de belangstelling zijn komen te staan.

Toch waren er destijds ook critici. Deskundigen voorspelden al op voorhand dat het verbod in de praktijk weinig zou uithalen. Zo waarschuwde de Raad van State, in haar advies van 8 juni 2022, voor al te hooggespannen verwachtingen in verband met de moeilijke bewijsbaarheid van seksuele misdrijven. Let wel, dit advies betrof de wet als geheel, dus met inbegrip van de daarin benoemde zedenmisdrijven. Voor het onderdeel seksuele intimidatie, waarbij het dus niet om een misdrijf maar om een overtreding gaat, geldt deze waarschuwing wellicht nog het meest. Want laten we wel zijn: volstrekte duidelijkheid over wat er nu wel of niet onder valt hebben we niet gekregen en ‘indringende seksuele benadering’ is een subjectief begrip. Aan het strafbaar stellen daarvan zit, in een vrije rechtstaat, zelfs een scherp kantje omdat het willekeur in de hand zou kunnen werken.

Maar goed; hebben de critici, zoals je zou kunnen opmaken uit het artikel op NU.nl, dus gelijk gekregen? Door te stellen dat het verbod op seksuele (straat)intimidatie niet zou werken? Eigenlijk wel een beetje. Er was natuurlijk bij de totstandkoming van de wet best sprake van enig politiek opportunisme. Maar dat het cynisch is om dit zo te stellen heb ik enkele jaren geleden geleerd van de al genoemde Aziza, overigens niet haar echte naam. Terug naar Aziza dus.

Aziza was toen 16 of 17 jaar oud en ik ontmoette haar omdat zij de bewonderenswaardige moed had gehad om een klacht wegens seksuele intimidatie in te dienen tegen een docent van haar school. Het bestuur van de school wilde die klacht onderzocht hebben, en ik mocht dat onderzoek samen met een vrouwelijke collega uitvoeren. Het ging overigens om gedragingen die ik zelf nog net niet als ‘indringende seksuele benadering’ zou bestempelen. Maar wel als ‘gedrag met een seksuele connotatie’, zoals dat in de Arbeidsomstandighedenwet is benoemd. Het ging om ongepaste opmerkingen over het, in de ogen van docent, nogal flamboyante uiterlijk van Aziza. Bijvoorbeeld over wat hij allemaal van haar kon zien, als ze op die en die manier tegenover hem zat. De docent betoogde dat hij Aziza wilde waarschuwen en ‘klaarmaken voor de arbeidsmarkt waarin zij zich ook gewoon netjes zou moeten aankleden’; Aziza vond het ongelooflijk irritant, ongepast, vernederend omdat het in het bijzijn van haar klasgenoten gebeurde, en ronduit intimiderend. De onderzoekers gaven haar, na objectivering op basis van feitenonderzoek, groot gelijk en het schoolbestuur heeft dat overgenomen*.

Maar eigenlijk gaat het me vooral om wat daarna gebeurde. Iets unieks, want normaal zie je een klager na het onderzoek niet meer en dat is in het kader van de objectiviteit ook goed. Maar de integriteitsfunctionaris van de school had een bijeenkomst georganiseerd zodat ik in een gesprek belandde waar ook Aziza aan deelnam. Zij was tot op dat moment niet zo mededeelzaam geweest, maar nu vond ze het belangrijk om ons te vertellen waarom het gedrag van die docent haar nu zo had aangegrepen. Ze nam de tijd, sprak rustig en iedereen luisterde. Niet alleen vertelde ze dat het voor haar heel belangrijk was om zich binnen de muren van de school veilig te voelen, maar ook waarom dat was; Aziza werd niet maandelijks, zelfs niet wekelijks, maar dagelijks meermaals op straat lastiggevallen met seksueel getinte opmerkingen, uitnodigingen om seks te hebben, aanrakingen en ander mannelijk wangedrag. Ik was diep onder de indruk.

Wist ik dan niet dat dit gebeurde? Natuurlijk wel. Ook toen ik zelf die leeftijd had speelde dit al met meiden in onze vriendengroep. Maar de manier waarop Aziza dit vertelde, maakte dat de rillingen mij over de rug liepen en de volle omvang van dit probleem maar weer eens hard bij me binnenkwam. Elke dag? Dus geen dag waarop dat niet gebeurt? Gewoon op straat, je onveilig voelen? Ik realiseerde me eens te meer dat ik dat, als man, nooit hoef mee te maken. En probeerde me voor te stellen hoe ik me zou voelen als dat wél zo zou zijn.

Er resteren twee vragen: waarom wilde ik dit zo graag delen, en wat heeft dit met de Wet seksuele misdrijven te maken?

Om met de eerste te beginnen: omdat ik in het onderzoek naar de klacht van Aziza boze docenten, man én vrouw, ontmoette die de gevoelens van Aziza bagatelliseerden en het, zonder de feiten te kennen, opnamen voor ‘die arme man’*. Docenten die Aziza veroordeelden om haar ‘blote’ kleedstijl, en haar daarmee nogal expliciet verantwoordelijk maakten voor wat er gebeurd was. Aziza dus, die een creatieve opleiding volgde, voor wie expressie heel belangrijk was en die niets anders deed dan zijn wie ze was.

Én omdat ik, zelfs in onze basisopleiding voor vertrouwenspersonen, nog steeds wel eens irritatie ontmoet wanneer ik problematiek rondom seksuele intimidatie voor 100% op het conto van mannen schuif. In één geval ging die irritatie gepaard met de uitroep: ‘Die vrouwen kunnen er anders ook wat van!’.

Én omdat een gewaardeerde vakgenoot, een vrouw, laatst tegen me zei: ‘vrouwen doen dat ook, maar die mannen durven dat dan niet te melden’.

Touché hoor, dat laatste, het zal vast wel eens voorkomen. Heus ken ik na al die jaren ook wel twee voorbeelden van vrouwen die zich schuldig maakten aan seksuele intimidatie, en het kan best zijn dat dit vaker gebeurt dan wij weten. Daar heeft mijn vakgenoot mogelijk een punt. Maar dit soort reacties doen me wat denken aan het verhaal over Tante Mien, die in discussies over gezond leven altijd opduikt als degene die 103 jaar oud is geworden op haar vier pakjes sigaretten en fles jenever per dag. Het zijn zeldzame uitzonderingen die de regel bevestigen en (afgezien van Tante Mien) de aandacht afleiden van een ongemakkelijk waarheid: in het geval van seksuele intimidatie, zijn het nagenoeg altijd mannen die de agressoren zijn.

Als je dit werk al 20 jaar doet heb je geen activisme nodig om dat zo vast te stellen, dat is dan simpelweg een ervaringsfeit. Ik hoop daarmee ook eens af te rekenen met de vermoeiende vraag of ‘een grap maken nog mag’.  Want ook dat is eigenlijk een non-discussie die blijk geeft van een behoefte aan vrijheid, die Aziza niet gegund is als ze de straat oploopt.

En het verband met die wet, en de vraag of de critici gelijk hadden? Hoezeer ik ook warme gevoelens kreeg bij ‘Wij eisen de nacht op’ en de welgemeende pogingen van mannelijke influencers om hun seksegenoten op hun gedrag aan te spreken, had ik bij één aspect daarvan een ongemakkelijk gevoel. Namelijk zoals het altijd is: de mensen die dergelijk gedrag toch al niet zouden vertonen voelen zich aangesproken, en de mannen die in het donker meisjes van hun fiets trekken niet. Die worden niet bereikt.

Dat bleek wel in de nacht van 30 op 31 augustus jongstleden, toen de Dolle Mina’s in tal van Nederlandse steden een actie hielden met het thema ‘wij eisen de nacht op’. Door tenminste 19 steden werden wandel- en fietstochten georganiseerd op plekken die als gevaarlijk voor vrouwen bekend staan. Wat gebeurde er volgens een bericht van 1 september op de website van de NOS? In ieder geval in Eindhoven, Maastricht, Leiden, Amersfoort, Zwolle, Groningen, Amsterdam, Rotterdam en Utrecht werden deze vrouwen lastig gevallen. Deelnemende vrouwen zijn nagefloten, in de billen geknepen, bij de heupen gepakt, bespuugd, met blikken bekogeld, ‘continue tegengehouden’, uitgejoeld en achtervolgd door mannen.

Dat deze werkelijke raddraaiers door oprecht goedbedoelde campagnes niet worden bereikt maakt dat ik, alle op zichzelf terechte tegenwerpingen van critici (en van mijzelf) ten spijt, blij ben dat het strafrechtelijke verbod op seksuele intimidatie bestaat. En laten we wel zijn: 55 mensen voor de rechter is een wel érg schamel begin, maar toch beter dan niets, en waardevol vanwege het signaal dat er vanuit gaat.

*De passages gemarkeerd met een asterisk vragen om een toelichting. Vanuit bureau Intagros B.V. voeren wij gedegen, objectief feitenonderzoek uit waarbij wij veel oog hebben voor de belangen van de beschuldigde partij, en niet zomaar alles voor waar aannemen. Iets is pas ‘waar’ als het feitelijk bewezen is, en elke casus wordt zonder enige vooringenomenheid behandeld. Deze passages en de gehanteerde woordkeus hebben dan ook uitsluitend betrekking op de casus ‘Aziza’ en reflecteren geenszins onze algemene visie op objectief onderzoek. In dit artikel was geen ruimte om de woorden ‘groot gelijk’ nader te onderbouwen, maar die feitelijke onderbouwing, op grond van een gedegen intern en extern toetsingskader (wetgeving), was er wel degelijk. De woorden ‘die arme man’ zijn afkomstig uit een letterlijk citaat van anderen en zijn hier, in dit opiniestuk, wat tendentieus gebruikt.

 

Wilt u bericht ontvangen zodra er een nieuw artikel verschijnt? U kunt zich hier aanmelden voor ontvangst van onze nieuwsbrieven.