onderwijs

Onderwijs special

Onderwijs special

In deze blog besteden we speciale aandacht aan het onderwijs. Interessant voor vertrouwenspersonen die in deze sector werkzaam zijn, maar we belichten het onderwerp ‘sociale veiligheid’ zo dat ook schoolleiders en HR- medewerkers er iets aan hebben.

Er zijn twee actuele redenen om het onderwijs eens uit te lichten. Met de regelmaat van de klok zien wij nieuwsberichten over docenten die zich schuldig maken aan seksueel wangedrag jegens (minderjarige) leerlingen. En er heerst grote onduidelijkheid over het de Wet vrij en veilig onderwijs. Omdat deze twee onderwerpen elkaar in zekere zin raken behandelen we ze beide.

 

Seksueel wangedrag van docenten: straffeloosheid troef?

Op 17 januari 2026 verscheen in de Volkskrant een artikel van de hand van freelance journalist Zsa-Zsa Rikken. Zij is zelf oud-leerling van middelbare school De Breul in Zeist, één van de scholen waar Olav A. werkzaam is geweest. Olav A. is inmiddels veroordeeld tot vier jaar cel voor ontucht met minderjarige leerlingen. Het Algemeen Dagblad schreef  op 19 januari 2026 over deze veroordeling:

Tijdens de zitting erkende de verdachte Utrechter zich seksueel aangetrokken te voelen tot meisjes van een jaar of 14. Hij ging volgens het vonnis van de rechtbank telkens berekenend en volgens een vast patroon te werk. Zijn slachtoffers waren onzeker over zichzelf en zochten daarvoor steun bij de verdachte, die zich opstelde als een coach en vertrouwenspersoon.

Het contact begon onschuldig, maar het duurde nooit lang voordat de verdachte overging tot lichamelijke aanraking. Het online contact ging daarna verder en werd sexting: het uitwisselen van seksueel getinte teksten en plaatjes. Hij liet slachtoffers naaktfoto’s en naaktvideo’s van zichzelf maken.

De verdachte leraar erkende door de jaren heen – al vanaf zijn tijd bij middelbare scholen Houtens en College De Heemlanden in Houten – steeds een stapje verder te zijn gegaan om zijn lust te bevredigen.

Rikken analyseerde deze kwestie grondig, in een prettig leesbaar artikel. Zij beschrijft hoe het kan, dat een docent jarenlang op verschillende scholen kan blijven werken terwijl ‘iedereen’ allang weet dat er iets niet pluis is. Voor wie abonnee van de Volkskrant is of er een proefabonnement voor over heeft: het volledige artikel is via deze link te lezen.

Zonder de inhoud van het artikel precies te volgen benoemen wij een aantal zaken die van belang zijn. Terecht wordt er (met andere woorden overigens) op gewezen dat wij in een rechtsstaat leven, waarbij beschuldigingen eerst gegrond moeten zijn gebleken alvorens een beschuldigde negatieve consequenties mag ondervinden. En hoe frustrerend het wellicht ook is dat dit soort docenten daardoor soms jarenlang hun gang kunnen gaan, toch is dit rechtsbeginsel belangrijk. Temeer omdat wij vanuit onze ervaring binnen het onderwijs weten, hoe beducht docenten zijn voor valse beschuldigingen. Met name onder gymleraren is dit echt een onderwerp, zij maken zich hier grote zorgen over.

Dat ‘bewijzen’ is in de praktijk helemaal niet zo gemakkelijk. Leerlingen doen niet zomaar aangifte, en als ze dat al doen is bewijs vaak niet zo eenvoudig te vinden omdat het gedrag dikwijls in één op één situaties heeft plaatsgevonden. Een buitenstaander zou denken dat er vaak wel digitaal bewijs is, maar ook dat valt tegen. Veelal wordt dit uit schaamte of walging van de telefoon gewist. Ook komt het voor dat minderjarigen zich niet goed realiseren wat er gebeurt, of zelfs instemmen. Genoemde Olav A. had jarenlang een openlijke relatie met één van zijn oud-leerlingen. Deze relatie was overigens niet ontstaan nadat de leerling van school was, zoals A. beweerde, maar al toen zij 17 jaar oud was en nog op school zat.

Als ons word gevraagd dergelijke beschuldigingen te onderwerpen aan een feitenonderzoek lijkt de zaak vaak simpel. ‘Iedereen’ weet er immers van. Maar als wij die mensen dan spreken, blijkt die ‘kennis’ vaak te vervliegen in aannames, geruchten en verhalen van horen zeggen. Ook komt het voor dat men liever niet teveel verklaart, omdat men zich geneert voor het feit dat men wel degelijk iets wist, maar massaal heeft weggekeken. Dit noemen wij cognitieve dissonantie, en eerder schreven wij dat dit helemaal niet zo’n onbegrijpelijk menselijk coping-mechanisme is.

Recentelijk maakten wij nog mee dat een ‘slachtoffer’, overigens geen leerling maar een collega van de beschuldigde, krachtig ontkende dat zij diens gedrag als grensoverschrijdend had ervaren en verhaal ging halen bij de ‘getuige’ die dit in nogal stevige bewoordingen bij ons had beweerd. De moraal van dit verhaal: een sluitend feitencomplex samenstellen lukt vaker niet dan wel.

En juist dan, als niets echt bewezen is, is onze privacywetgeving van belang. Het zomaar afgeven van een negatieve referentie mag niet. En als er niets (strafrechtelijk) bewezen is, krijgt men gewoon een ‘Verklaring omtrent gedrag’ (VOG). Vaak hoor je zeggen dat dit systeem daarom niet waterdicht is, maar dat is natuurlijk maar de vraag in gevallen waarin er geen overtuigend bewijs is. Zelfs het wereldkundig maken dat iemand is ontslagen vanwege ‘grensoverschrijdend gedrag’ is in dat geval een schending van de privacy. Daarmee is zo ongeveer verklaard waarom, in de praktijk, daders vaak helaas lang hun gang kunnen gaan.

Schoolleiders worstelen ermee. Zij doen in de regel echt hun best om gepast op te treden, maar staan aan het einde van de rit vaak met lege handen en mogen niets naar buiten brengen. Al snel luidt dan de beschuldiging dat men  zaken onder het tapijt veegt dan wel een doofpot creëert.

We realiseren ons dat deze uiteenzetting bijna een sfeer van ‘niets aan te doen’ oproept. Dat is natuurlijk niet zo. Er zijn wel degelijk bruikbare tools.

Zo kent bijna niemand in het onderwijs de ‘Meld-, overleg en aangifteplicht’, terwijl deze plicht geldt voor iedereen die in het onderwijs werkt. In het kort komt het erop neer, dat medewerkers verplicht zijn vermoedens van seksuele misdrijven tegen minderjarige leerlingen te melden bij het bestuur, waarop het bestuur verplicht is dit te melden bij de vertrouwensinspecteur van het Ministerie van OC&W. Deze besluit vervolgens of de school aangifte moet doen. Verplichte kost dus, voor elke vertrouwenspersoon in het onderwijs. Lees hier meer.

Deze plicht staat niet helemaal los van het onderwerp ‘veilige meldcultuur’. In de praktijk zien wij dat het onderwerp ‘sociale veiligheid’ niet openlijk besproken wordt in bijvoorbeeld teamoverleggen. Dat wel agenderen, verlaagt de drempel om zorgwekkende signalen bespreekbaar te maken. Een zeer eenvoudige tip, maar wel één die in de praktijk het meest effectief blijkt te zijn.

Wij maakten helaas mee dat een docent een zeer kwetsbare leerling jarenlang kon misbruiken in de ‘relatie’ die hij met haar had. Dit, schokkend genoeg, met meerdere zwangerschappen tot gevolg. Deze feiten vonden onder de ogen van de collega’s plaats. ‘Iedereen’ wist dat er iets aan de hand was. Eén collega was zelfs wel eens meegereden, toen de docent de leerling in zijn auto meenam. Het onderzoek naar deze kwestie mondde uit in een treurige opeenstapeling van zaken als wegkijken, niet ingrijpen, er niet over praten en de steeds weer terugkerende gedachte: ‘dat kan niet waar zijn’. Toen alles bekend werd heeft het bestuur van deze school krachtig richting het team gecommuniceerd dat al dat wegkijken hoogst onprofessioneel was geweest, en dat men door de meld-, overleg- en aangifteplicht te negeren zelfs in zekere zin medeverantwoordelijk was voor wat er was gebeurd. Maar toen was het kalf al verdronken…

 

De Wet vrij en veilig onderwijs

… En laat dat laatste, het belang van zaken bespreekbaar maken, is nu juist de aanleiding voor het belangrijkste bezwaar van de Raad van State zijn geweest, toen deze in maart 2025 een behoorlijk negatief advies gaf over de Wet vrij en veilig onderwijs. De RvS was bang dat deze wet de regeldruk op scholen zou doen toenemen, zodat er in de praktijk juist minder ruimte zou zijn voor preventie en echt effectieve aandacht voor veiligheid op school. Een waardevolle opmerking, wat ons betreft.

Feit is dat er sindsdien grote onduidelijkheid bestaat over dit wetsvoorstel. Wij krijgen hier veel vragen over. De kritiek van de RvS heeft geleid tot enkele aanpassingen, maar zeker niet alle bezwaren zijn daarmee weggenomen. Er is dus een grote kans dat het voorstel nog ingrijpend gewijzigd gaat worden. In november 2025 is de wet niettemin voorgedragen voor plenaire behandeling in de Tweede Kamer. De datum van behandeling is (ons) op dit moment niet bekend, en dan volgt ook nog behandeling door de Eerste Kamer. Het is dus maar zeer de vraag of de beoogde datum van ingang, 1 augustus 2026, gehaald gaat worden en daarnaast kan nog onmogelijk worden gezegd welke verplichtingen scholen dan precies krijgen.

Voor wat betreft de huidige inhoud van het voorstel: zie de visual van het Ministerie van OC&W. Maar dus wel met alle genoemde voorbehouden.

Eén van de wijzigingsvoorstellen betreft de verruiming van de al genoemde meld-, overleg en aangifteplicht. Deze zou ook gaan gelden bij seksuele intimidatie, en niet meer uitsluitend in het geval van minderjarige leerlingen of studenten.

Wij vragen ons af of er wel genoeg vertrouwensinspecteurs zijn om al die casussen rondom seksuele intimidatie, een lastig af te bakenen onderwerp, te behandelen. Ook is voor ons nog niet de vraag beantwoord wat de uitkomst van een dergelijk traject dan zou kunnen zijn. Aangifte bij de politie is immers niet mogelijk zolang er geen strafbaar feit gepleegd is. Principiëler is het punt dat, in het geval van een meerderjarig slachtoffer, de school aangifte zou moeten doen, ook als dat slachtoffer het zelf niet wil. Dit zou gemakkelijk kunnen betekenen dat de eigen grenzen en wil van het slachtoffer voor een tweede keer worden overschreden.

Helpt het de veiligheid op scholen te verbeteren? De Raad van State had grote twijfels. En ook wij vragen ons af of hier niet vooral een juridische w