Melding van sociale onveiligheid bij universiteiten; de bomen en het bos
Reeds in 2018 schreef Paul Herfs, destijds vertrouwenspersoon voor personeel bij de Rijksuniversiteit Utrecht en inmiddels erelid van de Vereniging Ombudsmannen Hoger Onderwijs (VOHO), het artikel ‘Klagen op de universiteit’. Hij benoemde in dit artikel dat universiteiten klachteninstanties ‘in alle soorten en maten’ hebben, maar dat het voor medewerkers niet altijd duidelijk is tot wie zij zich met een kwestie moeten wenden. Herfs benoemt de vertrouwenspersoon ‘ongewenst gedrag’, de vertrouwenspersoon ‘integriteit’ en de ‘ombudsman’, een term die overigens recentelijk is vervangen door een wat meer genderneutrale aanduiding.
Herfs legt de focus in dit artikel bij de medewerkers; graag benoemen we in dit verband ook de studenten, voor wie het mogelijk nog lastiger is om een weg te vinden in het landschap van loketten, zeker wanneer zij afkomstig zijn uit een cultuur waarbinnen al dit soort gremia niet bestaan.
Sinds 2018 vloeide er heel wat water ‘door den Rijn’. In de stroom van schandalen met betrekking tot sociale (on)veiligheid moest ook het hoger onderwijs eraan geloven; meerdere gevallen van wangedrag van bestuurders en ‘eminente wetenschappers’ werden publiekelijk uitgemeten en cultuurproblemen werden blootgelegd. Heeft dat geleid tot een oplossing voor de door Paul Herfs gesignaleerde problematiek?
Laten we om te beginnen een patroon signaleren en daarvoor een bestaande uitdrukking verbasteren: ‘waar een wil is, is een wet’. Als in onze maatschappij een verontrustende ontwikkeling plaatsvindt, of een ontwikkeling die als verontrustend wordt beleefd, ontstaat nagenoeg altijd de neiging om papier te produceren. Vaak is dat een wet. Zo’n tien jaar geleden waren we massaal geschokt, toen we hoorden over het hoge aantal suïcides onder jongeren als gevolg van pesten op school.
Toenmalig staatssecretaris Sander Dekker was er als de kippen bij en bedacht de Wet Veiligheid op School. In het vervolg moesten scholen beschikken over een ‘aanspreekpunt pesten’, en iemand moest het pestbeleid ‘coördineren’. Let wel, het is gemakkelijk om cynisch over zoiets te spreken en met name de verplichte invoer van een pestbeleid zal iets goeds hebben gedaan in de bewustwording.
Feit is wel dat wij, wanneer wij trainingen verzorgen voor vertrouwenspersonen in het onderwijs, merken dat niemand precies meer weet wie nu waarvoor verantwoordelijk is. Is de vertrouwenspersoon ook de pestcoördinator? Of het ‘aanspreekpunt pesten’? Hoe verhouden die rollen zich tot elkaar? Die onduidelijkheid leidt nogal eens tot het willekeurig toebedelen van deze extra taken aan onderwijspersoneel, vaak ook nog op basis van het beschikbare aantal taakuren. Bovendien valt in die trainingen op dat, desgevraagd, bijna geen deelnemer kan uitleggen wat er nu precies in die wet staat. En ook niet wat in andere wetten staat, die relevant zijn voor de sociale veiligheid binnen het onderwijs. Interne vertrouwenspersonen niet, directeuren ook niet.
Meer recent is er een wettelijk verbod gekomen op ‘seksuele straatintimidatie’. Daarbij is die term nader gedefinieerd als ‘indringende seksuele benadering door middel van opmerkingen, gebaren, geluiden of aanrakingen’. Hoogst subjectief natuurlijk, en dat maakt dat de stafrechter met dergelijke casuïstiek vaak niet zoveel kan. Dit verbod blijkt in de praktijk dan ook niet bepaald effectief te zijn*1. Precies wat deskundigen op voorhand al hadden voorspeld. Want waar het subjectieve ophoudt, bijvoorbeeld in het geval van iemand vastgrijpen op straat, moet bedacht worden dat dit ook op grond van allang bestaande wetgeving al niet mocht.
Twee voorbeelden van wetgeving die onder druk van een bepaalde maatschappelijke verontwaardiging tot stand is gekomen, en waar we uiteindelijk niet zoveel aan hebben. Er is tekst geproduceerd, maar niemand weet of er nu minder kinderen worden gepest. En of er op straat minder vrouwen worden lastiggevallen. Al zien wij in het verbod op seksuele straatintimidatie beslist wel een symbolische waarde, zoals we in het voornoemde artikel (*1) ook benoemen.
Terug naar de universiteiten. In mei 2024 heeft de Arbeidsinspectie bevindingen gepresenteerd van een breed onderzoek naar ongewenst gedrag, werkdruk en arbeidstijden in de universitaire wereld. Daaruit bleek onder meer dat ruim de helft van het wetenschappelijk personeel in de afgelopen twee jaar met ongewenst gedrag te maken heeft gehad. Reden genoeg dus om tot een brede aanpak van deze problematiek te komen. Per 1 juli 2024 is bij CAO vastgelegd dat er per universiteit een centraal meldpunt moet komen voor meldingen met betrekking tot sociale veiligheid. Geen wet dus in dit geval, maar wel een bindende bepaling.
Helpt dat dan? Is dat zelfs niet een antwoord op de door Paul Herfs in 2018 gesignaleerde problematiek? Dat zou kunnen. Maar laten we niet vergeten dat al die universiteiten al sinds jaar en dag beschikken over vertrouwenspersonen. Die, als het goed is, een door de Landelijke Vereniging van Vertrouwenspersonen geaccrediteerde basisopleiding hebben gevolgd en dus veel afweten van ongewenst gedrag, en van integriteitsschendingen in het algemeen.
Toegegeven moet worden dat die opleiding niet voorziet in het aandachtsveld ‘wetenschappelijke integriteit’, maar met enige nascholing zouden vertrouwenspersonen toch in staat moeten zijn dergelijke meldingen tenminste te herkennen. Vertrouwenspersonen die, opnieuw als het goed is, behoorlijk goed te vinden zijn door medewerkers én studenten die met ongewenst gedrag te maken hebben gekregen. Bovendien is vertrouwelijke behandeling (nagenoeg altijd) inherent aan de rol van de vertrouwenspersoon. Dit, en zeker wanneer melders rechtstreeks een mens van vlees en bloed kunnen benaderen, kan de drempel tot melden aanzienlijk verlagen ten opzichte van een non-descript meldpunt, waarbij men maar moet afwachten bij wie de melding terecht komt en wat er met de melding gebeurt. Zeker wanneer het meldpunt het karakter van een soort ‘speak up line’ krijgt, zoals we in de praktijk al hebben gezien.
Niet dat we tegen zo’n meldpunt zijn. Maar het risico is levensgroot dat we opnieuw een ‘faciliteit’ toevoegen die in de praktijk niet echt helpt. De implementatie van zo’n loket, en dan met name het goed beschrijven van de relatie tussen het loket en andere faciliteiten, vraagt om grondige kennis van het onderwerp. Niet alleen academische kennis, maar ook praktische.
En zo niet, dan kan een situatie ontstaan die we enkele weken geleden meemaakten in onze basisopleiding. Een vertrouwenspersoon wetenschappelijke integriteit had een ‘infographic’ meegenomen die gepubliceerd was op de website van de universiteit waar zij werkt, en waarop de relatie tussen loket, vertrouwenspersonen en andere faciliteiten in kaart werd gebracht. Acht deelnemers, stuk voor stuk met een behoorlijk abstractieniveau, én de trainer zaten verdwaasd te analyseren wat er nu eigenlijk bedoeld werd. Of, met andere woorden, te onderzoeken waar zij als melder nu het best terecht zouden kunnen of zelfs mogen. We zijn er maar mee gestopt, omdat we er niet uitkwamen.
Waar deze universiteit dan weer wél voor heeft gekozen, is het meldpunt ook open te stellen voor meldingen rondom vermeende integriteitsschendingen. Een logische keuze, iedere (opgeleid) vertrouwenspersonen kan uitleggen waarom deze onderwerpen in de praktijk vaak samenkomen. Curieus is het dan ook, dat in de desbetreffende bepaling in de CAO het onderwerp ongewenst gedrag geïsoleerd is geraakt. Dat gaat in tegen een beweging die de Landelijke Vereniging van Vertrouwenspersonen al jaren geleden is ingezet.
En nu het toch over integriteit gaat: de vertrouwenspersonen wetenschappelijke integriteit die wij in onze basisopleiding hebben ontmoet, hebben in hun dagelijkse praktijk allen ervaren dat ook dit onderwerp niet losstaat van het onderwerp integriteit in brede zin. Natuurlijk vergt het behandelen van casussen rondom wetenschappelijke integriteit een diepgaande kennis van de academische wereld; daar valt niet aan te tornen. Maar steeds is de eindconclusie dat ongewenst gedrag, ‘zakelijke integriteit’ en wetenschappelijke integriteit eigenlijk allemaal onder één noemer zijn te brengen, te weten die van onethisch gedrag. En de grens tussen deze drie aandachtsgebieden is vaak moeilijk te trekken. Als het op het ene vlak de normen vervagen, is de kans groot dat dit ook op de andere vlakken gebeurt.
Kortom. Het produceren van teksten, of het nu wetten zijn of bepalingen in een CAO, leidt niet zomaar tot een écht doelmatige aanpak van sociale veiligheid. Wel vaak tot verwarring, onduidelijkheid, en onnodige bureaucratie waar een onwetende melder niet zoveel mee kan.
En misschien is het helemaal niet zo moeilijk. Op basis van onze decennialange ervaring én onze gesprekken met mensen uit de universitaire wereld benoemen we een aantal zaken die eventueel wat helderheid brengen:
- Integriteit is integriteit, of het nu om ongewenste omgangsvormen, ‘zakelijke integriteit’ of wetenschappelijke integriteit gaat. De aanpak is anders, en elk aandachtsveld vereist specifieke kennis. Maar de grenzen zijn vaag, en altijd gaat het om niet-integer handelen. Dat vraagt om een integrale benadering en samenwerking tussen de vertrouwenspersonen, al houden zij zich met verschillende aandachtsvelden bezig. Zij zouden een team moeten vormen.
- Goed opgeleide vertrouwenspersonen kennen tenminste de aandachtsvelden ongewenste omgangsvormen en zakelijke integriteit. Met specifieke extra scholing zouden zij gevallen van wetenschappelijke integriteit tenminste moeten kunnen herkennen.
- Een meldpunt kan helpen, maar afhankelijk van wie het bemenst. En waarom zou dat de vertrouwenspersoon niet zijn? De desbetreffende CAO-bepaling sluit dat niet uit.
- En waarom zou ook dat meldpunt niet voor een integrale benadering kiezen? Zodat het benaderbaar is met meldingen uit elk genoemd aandachtsveld?
- Last but not least. Als u een verpakking van, laten we zeggen, hummus uit de supermarkt opent, valt het u vast op dat dit gemakkelijk gaat. Dat lijkt doordacht te zijn. De reden daarvan is, dat een testpanel verschillende verpakkingen heeft uitgeprobeerd, en de meest consumentvriendelijke heeft gekozen*2. Laat ook de diverse ‘infographics’ en andere informatieve uitlatingen rondom ongewenst gedrag en integriteit eens doorlichten door een testpanel, met leden die afkomstig zijn uit de doelgroep. Als zij het niet begrijpen, dan begrijpt niemand het. En vice versa.
Een laatste woord. Als wij spreken van ‘helemaal niet zo moeilijk’ en ‘helder’, dan doelen wij daarmee uitsluitend op het vormgeven van beleid. Het effectief implementeren daarvan, en het creëren van een werkelijk veilige werkcultuur, is een complex proces. Zo complex, dat we er vaak maar niet of hooguit ambivalent aan beginnen, en liever weer een document produceren.
*1. Zie ons artikel “Verbod op seksuele intimidatie niet erg effectief. En dus ook niet zinvol?”
*2. We weten het: ook wij ergeren ons dagelijks aan afbrekende lipjes en ontbrekende perforaties. Dat versterkt juist onze conclusie: er is in zo’n geval blijkbaar geen testpanel geweest…



