2026-07 De vertrouwenspersoon en ‘de waarheid’

Wie de woorden ‘vertrouwenspersoon’ en ‘waarheidsvinding’ googelt, stuit op een eindeloze reeks hits met dezelfde strekking: ‘De vertrouwenspersoon doet niet aan waarheidsvinding.’ Elke vertrouwenspersoon kent dit zinnetje. Ook wij gebruiken het in onze basisopleiding. Vaak wordt het met een stellig en zelfverzekerd gezicht uitgesproken, alsof er een diepe wijsheid mee wordt gedeeld.

Maar wat betekent het nu écht? En kun je er ook de verkeerde kant mee op?

 

Het gevaar van te weinig doorvragen

Enerzijds is de betekenis simpel. Een vertrouwenspersoon hoort per definitie maar één kant van het verhaal; de beschuldigde partij blijft buiten beeld. Alleen daarom al doet een vertrouwenspersoon niet aan waarheidsvinding.

Anderzijds zien we in de praktijk een risicovolle trend. Regelmatig adviseren vertrouwenspersonen het bevoegd gezag om een formeel onderzoek in te stellen, puur op basis van kwalificaties als ‘intimidatie’ of ‘een onveilige sfeer’.  Als we vervolgens doorvragen, blijkt dat er nauwelijks concreet is doorgevraagd naar de feiten. Of gaan de voorbeelden over een managementstijl of een taakinhoudelijke discussie, niet over grensoverschrijdend gedrag. De gedachte hierachter lijkt te zijn: ‘Als we toch niet aan waarheidsvinding doen, hoeven we ook niet diep door te vragen.’ Dit is een misvatting met grote gevolgen.

 

Een hamer als gereedschap

Als vertrouwenspersoon heb je krachtig gereedschap in handen. Vergelijk het met een hamer: je kunt er nuttige dingen mee doen, maar er ook grote schade mee aanrichten. Een advies voor een persoonsgericht onderzoek weegt zwaar. Zo’n zwaar middel mag je alleen inzetten als er ernstige, concrete feiten liggen én als lichtere interventies eerst goed zijn onderzocht.

Bij ons zusterbedrijf en onderzoeksbureau Intagros B.V. wijzen we nog steeds ongeveer 60% van de onderzoeksopdrachten af. Vaak ontbreekt het aan concrete feiten of voorbeelden die een onderzoek rechtvaardigen. Ook zien we regelmatig dat vooraf onvoldoende is gekeken naar minder ingrijpende manieren om de situatie in kaart te brengen of aan te pakken. En dat vinden we belangrijk, omdat een formeel onderzoek behoorlijk wat dynamiek met zich meebrengt en altijd impact heeft. In het bijzonder op de beschuldigde partij, ongeacht de uiteindelijke uitkomst. Daarom stellen we vooraf nadrukkelijk de vraag: is een onderzoek echt nodig en is dit het meest passende en proportionele middel?

 

De knuppel in het hoenderhok

Concreet doorvragen naar feiten en voorbeelden door de vertrouwenspersoon bij de melder is géén waarheidsvinding. Het is het zo scherp mogelijk in kaart brengen van de ervaring van de melder. Vraag dus niet alleen naar het ontstane gevoel, maar ook naar de feitelijke gedragingen die hieraan ten grondslag liggen:

  • Wat is er letterlijk gezegd?
  • Wat verstaat de melder precies onder ‘schreeuwen’?
  • Welke situatie leidde tot de kwalificatie ‘intimidatie’?

Om de knuppel in het hoenderhok te gooien: te vaak maken we mee dat een verhaal als een ballon leegloopt zodra er naar concrete voorbeelden wordt gevraagd. Als vertrouwenspersoon moet je dit durven vaststellen. Niet om af te doen aan het gevoel van de melder, wel om het juiste vervolgscenario te bepalen.

 

Geen wantrouwen, maar zorgvuldigheid

We merken in onze opleidingen dat vertrouwenspersonen het soms lastig vinden om precaire vragen te stellen. Men is bang dat de melder dit ervaart als wantrouwen. De praktijk laat echter het tegendeel zien. Melders vinden het juist prettig als er goed wordt doorgevraagd. Het getuigt van oprechte interesse en absolute zorgvuldigheid om hen daarna écht goed te kunnen voorlichten wat een mogelijke vervolgstap zou kunnen zijn, desgewenst met verdere ondersteuning van de vertrouwenspersoon.

Hoe kan ik u helpen?